Geschiedenis Podcasts

Hoe begon de stigmatisering van het nationalisme?

Hoe begon de stigmatisering van het nationalisme?


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

Het lijdt geen twijfel dat in de moderne wereld het idee van nationalisme door velen wordt afgekeurd, vooral bij de linkervleugel, en ik ben benieuwd hoe dit zich historisch heeft ontwikkeld.

Kan iemand haar helpen met het voorstellen van ideeën over hoe nationalisme als negatief wordt ervaren, is het een gevolg van het nazisme?


WO1.

WW1 begon te midden van een wild enthousiasme in alle Europese landen (vgl. lezing 5 "August Madness"). De golf van nationalisme overspoelde zelfs de SDP!

De oorlog was een enorme teleurstelling voor alle betrokkenen. Dit bracht sommige intellectuelen ertoe het nationalisme in twijfel te trekken. De oorlog leidde echter ook tot de eerste stappen van dekolonisatie en oprichting van natiestaten in Oost-Europa.

WW2 was de tweede fase van het proces: nog meer mensen twijfelden aan het nationalisme, maar nog meer mensen omarmden het omdat ze nu de hoop hadden op een nationaal thuisland.


Ik ben het eens met het vorige antwoord, maar zoals je de linkervleugel hebt genoemd, zal ik enkele punten over dat perspectief toevoegen.

Het lijkt erop dat er een interpretatie is van Marx' werk dat nationalisme in tegenstelling tot de belangen van de revolutionair wordt beschouwd - hoewel hij nationalisme heeft gesteund in sommige landen waar het als "progressief" werd beoordeeld, in plaats van als een burgerlijke uitvinding, zie bijvoorbeeld dit gedeelte.

Om soortgelijke redenen verdedigen de trotskisten ook de oprichting van een internationaal socialisme.

Dan denk ik dat oorlogen altijd een rol hebben gespeeld in deze beweging, zoals uitgelegd in dit antwoord.


Nationalisme is grotendeels ontstaan ​​bij Lodewijk XIV. De politieke structuur daarvoor was de lokale overheid door de adel, waarbij de edelen trouw waren aan het koningshuis. Er was weinig concept van een natie als zodanig. Lodewijk XIV lokte de adel naar Versailles en verving het lokale bestuur door goed opgeleide ambtenaren van de derde stand onder directe controle van de koning. Dus de Zonnekoning, waar alle krachtstralen samenkomen. Hoewel zeer effectief voor Lodewijk IV en zijn oorlogen, bleek Lodewijk XVI overbodig omdat de derde stand zich bekeerde tot Frans nationalisme in plaats van Franse royalty. Dit wordt besproken door Jacques Barzun in From Dawn to Decadence, het hoofdstuk The Monarch's Revolution.

Nationalisme botste met kolonialisme en invloedsgebieden van buitenlandse mogendheden, zoals toen Oostenrijk de heerschappij over zijn rijk beweerde. Verschillende nationalismen, vaak religieus gebaseerd, zijn nog steeds in conflict.


De oorsprong van het nationalisme

Wat is de oorsprong van het nationalisme? De kiem ervan kan al lang geleden in mensen zijn geweest. Laten we eens kijken naar de geschiedenis van de natie die er een speciaal woord voor heeft gegeven: chauvinisme.

Tegen het einde van de twaalfde eeuw lanceerde de koning van Frankrijk, toen een klein land met als middelpunt Parijs, de kruistocht tegen de Katharen in het zuiden, waar ze een andere taal spraken (de "langue d'oc", zo genoemd omdat oc was hun woord voor ja.) Het was zeker om zijn koninkrijk te vergroten, en ogenschijnlijk om ketters te bestrijden (die inderdaad werden afgeslacht), maar het begon niet vanuit een gevoel van nationale superioriteit. Evenzo, toen een andere Lodewijk, Lodewijk XIV, Elsass annexeerde, was dit om het grondgebied van zijn koninkrijk uit te breiden. Maar nationalisme zoals we dat uit onze tijd hebben leren kennen, bestond toen niet, en deze oorlogen waren voor macht en persoonlijke glorie. Degenen die vochten hadden andere motieven dan de bewering van de superioriteit van Frankrijk tegenover andere naties.

Het is wanneer we bij Napoleon komen dat we iets anders kunnen ruiken. De bedwelmende slogan van de revolutie - "Liberté, Egalité, Fraternité" - werd gevolgd door de 'Terror', en vervolgens door de avonturen van de Corsicaanse parvenu die aanvankelijk werd bewonderd door veel van de goedgelovige 'intelligentsia' toen hij bijna de hele van Europa in oorlog. Er was toen geen 'Duitsland', er waren een aantal grote en kleine koninkrijken en letterlijk honderden onafhankelijke kleine hertogdommen, elk met zijn eigen hof, wetten, gebruiken en lokale tradities, terwijl ze de cultuur van het Duitstalige volk deelden. In Midden-Europa is de beroemdste veldslag van deze verschrikkelijke tijd de Slag bij Leipzig (1813), toen Rusland, Pruisen en Oostenrijk voor het eerst Napoleon versloegen. Het was vanaf deze tijd dat het idee van een "Duitse natie" zich verspreidde, versterkt door Blüchers legendarische oversteek van de Rijn om de genadeslag bij Waterloo te geven.

De eenwording en het verkrijgen van kracht van Duitsland kwam tot stand door de militaire macht van Pruisen, maar tegelijkertijd was het een periode waarin de Duitse literatuur, muziek, filosofie, kunst en later de wetenschap daar floreerde als nooit tevoren. De gerenommeerde universiteiten trokken geleerden en veel opmerkelijke studenten uit andere landen, waaronder Turken en Armeniërs, die besmet raakten met de virussen van de Europese politiek: de ideeën van "rechten", van socialisme, van "links" en "rechts", en nationalisme, ze hebben allemaal hun oorsprong in het idee dat onze beschaving het resultaat is van de ontwikkeling van een reden zoals nooit tevoren op onze planeet.

Na het bovenstaande te hebben geschreven, heb ik Chauvinisme opgezocht. Het wordt gedefinieerd als "overdreven (sic) nationalisme". Het woord komt van de naam van een Franse soldaat, Nicholas Chauvin, een veteraan van Napoleons campagnes die bekend staat om zijn patriottische ijver.

Ik ben geen historicus en mijn kijk op en gevoel van geschiedenis is behoorlijk veranderd sinds ik in mijn eerste jaar aan de universiteit worstelde met E.H. Carr'8217s – What is History – en vandaag voel ik me niet geroepen om terug te gaan en het te lezen.

Ik ken de oorsprong van het nationalisme niet. Wat waren in dit opzicht de Romeinen? Maar dat is een terzijde.

Bij het lezen van het artikel over Nationalisme denk ik dat het een te grote sprong is om van Lodewijk XIV naar Napoleon te gaan, daartussen ligt Engeland met zijn unieke geschiedenis en vooral zijn groeiende gevoel van Engels onder de Tudors, met name Elizabeth, en natuurlijk in dit de opkomst van het protestantisme. Ik heb hier nooit onderzoek naar gedaan, maar het artikel over nationalisme zette me aan tot de vraag: is er een verband tussen protestantisme en nationalisme? Misschien zit daar iets in als je de opkomst van Nederland en het samensmelten van de Engelse natie/staat bekijkt.

Napoleon, net als bij Hitler. Kunnen ze als nationalistisch of iets anders worden beschouwd?

Daarnaast raakte het artikel mij om te vragen voor wie schrijven we in ons internetmagazine? Hoewel ik het met het grootste deel van het artikel eens ben, zou ik het anders hebben geschreven op een manier die degenen zou raken die zich misschien al afvroegen wat de geschiedenis is en hoewel ze al het gevoel hadden dat Napoleon een betere man zou zijn geweest als hij thuis was gebleven en zich met zijn eigen zaken bemoeide, zijn ze misschien nog niet helemaal klaar om te horen dat zoveel van onze 'zogenaamde geschiedenis niets meer is dan de geschiedenis van misdaad' of dat de beschaving (zogenaamde) die in strijd is met 'vooruitgang' in feite ten onder gaat .

Misschien is het nationalisme, in een voor ons herkenbare vorm, in de Napoleontische tijd wel ontstaan. Als dat zo is, moeten de wortels er al zijn geweest en de oorzaken lang daarvoor in ons allemaal gezaaid.

Bij nader inzien vroeg ik me af of nationalisme een soort substituut was voor religie. Men kan de verenigende kracht van het christendom vanaf de middeleeuwen zien verzwakken, dodelijk gewond misschien door de gehechtheid van het pausdom aan tijdelijke macht en zijn conflict met het Heilige Roomse Rijk. Het werd verder verzwakt door de opkomst van het protestantisme, de Dertigjarige Oorlog en de opkomst van de “Rede” (de zogenaamde “Verlichting”). Het geloof in God en de hoop op een ander leven werden ondermijnd. Maar het lijkt erop dat we ergens in moeten geloven en hopen - zo niet in iets van binnen, dan moet het misschien iets buiten zijn. Wat zou dan een volk bij elkaar kunnen houden?

Een goed voorbeeld hiervan is de manier waarop Elizabeth de 1e zich vestigde als The Virgin Queen, waarbij haar processies door heel Engeland een vervanging vormden voor de verwerking van beelden van de Maagd Maria. Haar doel was het koninkrijk te verenigen en het uitbreken van een burgeroorlog tussen katholieken en protestanten te voorkomen.

Ik denk op een andere manier aan nationalisme. Dezelfde energieën die iemand ervaart wanneer hij tegenwoordig nationalistisch is, of in de eerste natiestaten in Europa of elders, werden waarschijnlijk ook door mensen ervaren lang, lang voordat er 'naties' bestonden. De vraag: ‘Wat is de oorsprong van het nationalisme? is voor mij niet zo interessant als 'Wat is de wortel van het nationalisme?' Is het een gevoel? Of een emotie? Een hypnose? Zelf kalmerend? Een identificatie? Een opleiding?

In die zin wil ik de psychologie van het nationalisme begrijpen. Ik vraag me af of als we de psychologie ervan goed genoeg zouden begrijpen, we dan verder terug zouden kunnen tasten, of beter gezegd, terug in de geschiedenis/oorsprong ervan?


UW Tacoma Digital Commons

Blank nationalisme maakt sinds het begin van de natie deel uit van de geschiedenis van de Verenigde Staten, maar bleef een secundair probleem in vergelijking met blanke suprematie. In de afgelopen dertig jaar is het blanke nationalisme echter in opkomst in de Verenigde Staten en wordt het langzaam mainstream retoriek in de politiek, maar ook in sociale en economische discussies. Wat heeft deze opkomst van blank nationalisme veroorzaakt? Heeft de populariteit van sociale media en internet sinds de jaren negentig de groei beïnvloed?

Met het gebruik van primaire bronnen zoals toespraken, boeken geschreven door blanke nationalisten en insider internetbronnen, kan men zien dat de motivaties achter blank nationalisme zijn verschoven van de onderdrukking van andere rassen, met onderliggende ideeën van blanke superioriteit, naar een visie slachtofferschap, waarbij rassenbescherming als primaire rechtvaardiging wordt genoemd. Met behulp van academische tijdschriften en wetenschappelijke boeken die de geschiedenis en ontwikkeling van blank nationalisme analyseren, is het duidelijk dat blank nationalisme door de Amerikaanse geschiedenis is gestegen en gedaald, waarbij de meest recente ontwikkeling het resultaat is van sociale media en memecultuur die het uit de randen van de samenleving en in de reguliere samenleving en discussie. Het belang van dit onderwerp wordt weerspiegeld in het feit dat wat ooit als gevaarlijke en opruiende retoriek werd beschouwd, iets is geworden dat meer geaccepteerd en omarmd is in een samenleving die vroeger als post-raciaal en kleurenblind werd bestempeld.


Waar komt het nationalisme vandaan? Een historische kijk op premodern revolutionair nationalisme

Nationalisme is een fenomeen dat een lange geschiedenis heeft voorafgaand aan zijn huidige vorm in de moderne tijd. Het is altijd een model geweest dat nationale belangen boven alles stelt. Het heeft zich ook verzet tegen de eenheid van de christenheid die God en Zijn wet boven alles stelt.

Voorafgaand aan de nationalistische plaag waren de politieke systemen in de christelijke beschaving gebaseerd op het subsidiaire principe van 'verdeelde soevereiniteit'. Deze evenwichtige positie bevorderde tegelijkertijd een gezond lokalisme en een gezonde waardering van universele idealen en instellingen. Deze harmonieuze liefde voor het land en de hele mensheid werd verlicht door het katholieke geloof, gegrondvest op Gods genade en ondersteund door de deugd van matigheid.

Het verval van het christendom

Dit harmonieuze concept van een natie die in het christendom was opgenomen, stortte helaas in tijdens de Renaissance. Zo begon een proces van morele decadentie waarin de liefde voor de liefde van God afnam en geleidelijk werd vervangen door de sensuele en trotse zelfliefde.

Zoals beschreven in Plinio Correa de Oliveira's Revolutie en contrarevolutie, “het absolutisme van de juristen, die zichzelf versierden met een verwaande kennis van het Romeinse recht, werd gunstig ontvangen door ambitieuze vorsten. En al die tijd, zowel in groot als klein, was er een vervaging van de wil van weleer om de koninklijke macht binnen de juiste grenzen te houden, zoals in de dagen van Saint Louis van Frankrijk en Saint Ferdinand van Castilië.

Het absolutisme van Filips de Schone

Een ambitieuze koning die de rechten van de kerk en zijn feodale onderdanen niet respecteerde, was koning Filips de Schone van Frankrijk, ook wel bekend als de ijzeren koning. Onder het mom van de 'verdediging van het rijk' bevestigde hij een absolutistische misvatting van wat het 'nationale belang' uitmaakte. Zo transformeerde hij de eerstgeboren dochter van de kerk van een gedecentraliseerd feodaal land in een gecentraliseerde staat volgens de stelregel “Rex est imperator in regno suo” (de koning is een keizer in zijn eigen koninkrijk).

Om zijn oorlogen tegen Engeland en Vlaanderen te financieren, legde hij enorme belastingen op en verlaagde hij de munteenheid door het zilvergehalte te verlagen, waardoor iedereen verarmde. Toen paus Bonifatius VIII zijn stem verhief om de armen en de rechten van de kerk te verdedigen (de koning belastte tot de helft van het jaarinkomen van de geestelijkheid!), riep de Franse koning een vergadering bijeen van bisschoppen, edelen en groothandelaren om de paus te veroordelen .

De verontwaardiging van Anagni

Als reactie bevestigde paus Bonifatius opnieuw in de beroemde Bull Unam Sanctam, de opperste macht van het pausdom in geestelijke zaken en zijn indirecte macht ratione peccati (vanwege de zonde) in tijdelijke zaken. Filips de Schone stuurde de jurist Guillaume de Nogaret als zijn afgezant om de paus gevangen te zetten. In de ruzie die volgde, sloeg een van de aanwezigen de paus in zijn gezicht.

10 Razones Por las Cuales el "Matrimonio" Homoseksueel en Dañino y tiene que Ser Desaprobado

Sommige historici geloven dat deze aflevering - genaamd de Verontwaardiging van Anagni – markeerde het einde van de middeleeuwen. Door deze daad bevestigde Filippus een 'seculiere' opvatting van de staat die zich bevrijdde van de voogdij van de kerk. Hij centraliseerde zijn regering door te vragen om noodbevoegdheden die veel verder reikten dan de oude grenzen en uiteindelijk de verkavelde feodale macht van de adel desintegreerde.

Kortom, het Franse volk werd gedwongen dezelfde buitengewone offers te brengen voor de natie die hun voorouders in het verleden vrijwillig hadden gedaan voor de kerk en de kruistochten. Dit betekende een eerste enorme verschuiving in de hiërarchie van loyaliteiten van de westerse mens van kerk naar land.

Protestantse bijdrage aan het nationalisme

Na de decadentie van de Middeleeuwen was de protestantse revolutie gunstig voor de opkomst van een opkomend chagrijnig nationalisme. Volgens Yoram Hazoni, in zijn boek, De deugd van het nationalisme, Luthers “De nieuwe oproep tot vrijheid om de Schrift te interpreteren zonder het gezag van de katholieke kerk had niet alleen invloed op de religieuze doctrine. 'Het protestantisme omarmde en raakte al snel verbonden met de unieke nationale tradities van volkeren die schelden op ideeën en instellingen die zij als vreemd voor hen beschouwden.' 1

Het protestantisme, georganiseerd langs nationale lijnen, betekende de ondergang voor het idee van een internationaal, transterritoriaal verenigd christendom. Deze religieuze en psychologische verandering was de eerste slag die uiteindelijk leidde tot de ontbinding van het Heilige Roomse Rijk dat in 1806 instortte.

Helaas was het jingoïstische nationalisme geen exclusieve creatie van protestantse heersers, zoals Henry VIII, die nationale kerken creëerde waarvan ze zichzelf uitriepen tot 'opperste leiders'.

Het Franse Nationalisme

Franse katholieke vorsten gingen ook de nationalistische strijd in, zelfs vóór de explosie van de pseudo-reformatie. Karel VII van Frankrijk, die door de heilige Jeanne d'Arc op de troon werd geplaatst, vaardigde de Pragmatische Sanctie van Bourges uit "die de suprematie van een concilie over de paus bevestigde, en de 'vrijheden' van de Gallicaanse Kerk vestigde, de rechten van de paus beperkte en in veel zaken die zijn rechtsmacht aan de wil van de koning onderwerpen.” 2

Leer alles over de profetieën van Onze Lieve Vrouw van Goed Succes over onze tijd

In zijn strijd tegen keizer Karel V bezegelde koning Frans I van Frankrijk in 1536 een "heiligschennende unie van de lelie en de halve maan". Carl Jacob Burckhardt gebruikte deze uitdrukking om Franciscus' alliantie met de sultan van het Ottomaanse rijk, Suleiman de Grote, te beschrijven. . Het was de eerste niet-ideologische alliantie tussen een christelijke en een moslimstaat die gezamenlijk een andere christelijke staat aanviel op basis van puur 'nationaal belang'. Deze Frans-Turkse alliantie duurde meer dan twee en een halve eeuw met tussenpozen.

Richelieu, architect van koninklijk absolutisme en nationalisme

Kardinaal Richelieu, de premier van koning Lodewijk XIII, voerde later een buitenlands beleid gebaseerd op een soort Realpolitik die de geopolitieke belangen van Frankrijk onbeschaamd boven de hoogste belangen van het christendom plaatste.

Deze kardinaal verpletterde de Hugenoten in Frankrijk omdat ze een bedreiging vormden voor de interne eenheid van Frankrijk tijdens de Dertigjarige Oorlog. Hij financierde echter ook protestantse legers en steunde de protestantse koning Gustav Adolf van Zweden met als enig doel het Huis van Habsburg dat regeerde in Spanje en het Heilige Roomse Rijk te verzwakken. Deze steun aan de protestantse legers verminderde met een derde van de bevolking die onder het rijk leefde. Het katholicisme was dus het grootste slachtoffer van zijn beleid. Net als koning Filips de Schone, ontwikkelde kardinaal Richelieu een bot en uitgebreid beleid om de macht te centraliseren, de belastingen te verhogen en de adel te controleren.

In die tijd was Frankrijk nog grotendeels een feodale samenleving waar de grote adellijke families grote landgoederen bezaten, hun privélegers hadden en hun district bestuurden. Richelieu haalde Lodewijk XIII over om een ​​machtige "intendant' of koninklijk agent voor elk district. Verder beval hij dat alle kastelen en forten die niet aan de Franse grenzen gelegen waren, zouden worden gesloopt. Een uitbreiding van de definitie van verraad of majesteitsschennis werd gebruikt om weerstand te onderdrukken. Kortom, Richelieu wordt gezien als de belangrijkste architect van het koninklijk absolutisme in Frankrijk.

Zoals Hilaire Belloc terecht opmerkt in zijn biografie van de kardinaal, was de belangrijkste erfenis van Richelieu zijn beleid dat brak “Het christendom in een mozaïek van nationaliteiten, waarbij de aanbidding van de nationaliteit een religie wordt die de oude religie vervangt waardoor Europa ontstond.” 3 In plaats van Gods belang op aarde te bevorderen (wat van een katholieke kardinaal verwacht mag worden), paste Richelieu zijn "overweldigend genie tot de oprichting van de moderne staat, en, onbewust voor zichzelf, tot de ondergang van de gemeenschappelijke eenheid van het christelijk leven." 4 > Inderdaad, concludeert Belloc, Richelieu creëerde de "religie van het nationalisme." 5

Het Verdrag van Westfalen

De onbevooroordeelde Henry Kissinger karakteriseerde hem als: "het in kaart brengende genie van een nieuw concept van gecentraliseerd staatsmanschap en buitenlands beleid gebaseerd op het machtsevenwicht." 6 Het beleid van Richelieu leidde tot het Verdrag van Westfalen, ondertekend onder zijn leerling en opvolger kardinaal Jules Mazarin.

Wetenschap bevestigt: engelen namen het huis van Onze-Lieve-Vrouw van Nazareth mee naar Loreto

Het Verdrag van Westfalen maakte inderdaad een einde aan de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Verenigde Nederlanden en de Dertigjarige Oorlog tussen het Heilige Roomse Rijk en zo'n 300 protestantse vorsten die regeerden over kleine lidstaten. Het verdrag bevorderde echter de zaak van het nationalisme door de volledige territoriale soevereiniteit van de lidstaten van het rijk te erkennen, hen te bevrijden van feodale verwikkelingen en de prinsen toe te staan ​​onderling en met buitenlandse mogendheden te onderhandelen.

Het verdrag gaf soevereine bevoegdheden, zelfs in die mate dat het onderdanen dwong om de religie van de heerser te volgen onder de monsterlijke stelregel cujus regio ejus religio (religie volgt de soeverein)

De Verlichting en de Franse Revolutie

Het hoogtepunt van dit proces van vergoddelijking van de natie vond plaats tijdens de Verlichting en de Franse Revolutie. Zoals David Bell in zijn boek schrijft De cultus van de natie in Frankrijk: het uitvinden van het nationalisme, 1680-1800, “de opkomst van de concepten van natie en patrie vond aanvankelijk plaats toen Europeanen een radicale scheiding tussen God en de wereld gingen waarnemen, zochten naar manieren om aardse orde te onderscheiden en te handhaven ondanks Gods afwezigheid, en worstelden om religie te degraderen naar een nieuw gedefinieerde privésfeer van menselijk streven, gescheiden van politiek." [7]

De Verlichting maakte van blind nationaal patriottisme een voorrecht van de hogere klassen. De Franse Revolutie maakte het een populair sentiment van de mensen: "Een Franse patriot", schrijft Geoffrey Best, “was een volslagen nationalist, die zijn eigen natie boven alle andere naties plaatste, en die overdacht met gevoelens die grenzen aan aanbidding.” 7

Deze toewijding aan het land kwam tot uiting in het massaal opstellen van soldaten om de pasgeboren Franse Republiek te verdedigen: “Het klaroengeschal was nationalisme en de verplichting van elke burger om de natie te dienen, een principe dat omwille van zichzelf werd verwelkomd door revolutionaire militanten, vooral de leiding van de Parijse secties en de Jacobijnse Club, waar het onmiddellijk een verreikende ideologische betekenis kreeg. .” 8

In tegenstelling tot het idee van broederschap onder de volkeren binnen het christendom, was de Franse Revolutie de belangrijkste inspirator van moderne vreemdelingenhaat, zoals William Rogers Brubaker schrijft:

“Het was in het xenofobe nationalisme van zijn radicale fase, niet in het kosmopolitisme van zijn liberale fase, dat de revolutie echt revolutionair was.

“Waarom deze abrupte verschuiving van xenofilie naar xenofobie? Ik denk dat het te maken heeft met de logica van de natiestaat. Een natiestaat is de staat van de natie, de staat van en voor een bepaalde, begrensde, soevereine natie, waartoe buitenlanders per definitie niet behoren.

“De revolutie creëerde een juridische grens en een ‘morele’ grens tussen leden van verschillende natiestaten. Door de morele en juridische grenzen binnen de natiestaat af te schaffen, kristalliseerde het juridische en morele grenzen en verdeeldheid tussen natiestaten. Zo bracht het zowel de moderne natiestaat als het moderne nationalisme voort.” 9

Sinds het verval van de Middeleeuwen tot aan de Franse Revolutie waren nationalistische ideologieën en beleid creaties van progressieve stromingen die zich verzetten tegen traditionele politieke structuren.

De nationalistische idealen veranderden echter met de moderne tijd. Het werd het verzet tegen het rationalistische en individualistische karakter van de Verlichting en de Franse Revolutie. Er verscheen een traditionalistische, rechtse versie van nationalisme die individuele vrijheid ontkende en de nadruk legde op gemeenschapsbanden en het onderbewustzijn.

De fundamenten werden echter gelegd door het absolutistische beleid dat het christendom scheidde van zijn christelijke wortels.


Engels nationalisme: welke krachten hebben de historische identiteit van Engeland gevormd?

Wat gebeurt er met het Verenigd Koninkrijk en, daarbinnen, wat gebeurt er met Engeland? In dit uittreksel uit zijn nieuwe boek kijkt Jeremy Black naar het verleden om te proberen het heden te begrijpen, namelijk welke krachten de historische identiteit van Engeland hebben gevormd en hoe dat het hedendaagse Engelse nationalisme heeft beïnvloed.

Nationalisme is evenzeer een gevoel als een principe. Het vertoont krachtige emotionele elementen, evenals de interactie van de 'diepe geschiedenissen' van bepaalde nationale of toekomstige nationale groepen met de contexten en uitdrukkingen van deze 'diepe geschiedenissen' in specifieke omstandigheden. Deze 'diepe geschiedenissen' zijn het begrip van het verleden dat centraal staat in identiteit en is ook een uitdrukking van dit idee. De contexten omvatten geografie, klimaat, cultuur, samenleving, economie en politiek, en de ervaringen en uitdrukkingen van elk van deze.

Englishness is een identiteit, een bewustzijn en, op dit moment, een proto-nationalisme. Het is het laatste omdat er momenteel geen Engelse staat is in het Verenigd Koninkrijk, namelijk het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. Groot-Brittannië (kortweg Groot-Brittannië) zelf bestaat uit Engeland, Schotland en Wales. Engeland is het grootste en verreweg het dichtstbevolkte deel van Groot-Brittannië en het Verenigd Koninkrijk, maar het is slechts een deel van het geheel. Er is geen Engels paspoort, parlement of munteenheid, noch enig onmiddellijk vooruitzicht daarop. Bovendien is er in Groot-Brittannië of het Verenigd Koninkrijk relatief weinig dat kenmerkend is voor Engeland, en met name sinds de relatieve afname van het belang van de Kerk van Engeland. Ondanks de Amerikaanse neiging om naar de 'koningin van Engeland' te verwijzen, regeert de vorst over het Verenigd Koninkrijk.

Embed from Getty Images Dat betekent echter niet dat Engeland een identiteit of identiteiten mist. Bovendien is het nationalisme, of op zijn minst een onderscheidend nationalisme, versneld, en gedeeltelijk opgedrongen aan Engeland, door de ontwikkeling op de Britse eilanden van schelle nationalismen die het Brits-zijn hebben betwist, en met veel succes. Het Ierse nationalisme was het eerste, maar het werd gevolgd door dat van Wales en, meer in het oog springend, Schotland.

Deze kristallisatie van identiteit roept de vraag op hoe ver terug in de tijd men een vorm van Engels nationalisme kan projecteren. Als soevereiniteit het belangrijkste punt is, dan is de oprichting van de Oud-Engelse (Saksische) monarchie in de tiende eeuw van cruciaal belang, aangezien die een Engelse staat heeft voortgebracht. Bovendien bleef de Engelse staat vanaf 1066 (evenals onder de Romeinen en koning Knut), als onderdeel van een groter politiek rijk, bestaan ​​​​totdat deze eindigde met de fusie van de Engelse en Schotse parlementen in 1707.

Dat is dus één geschiedenis van het Engelse nationalisme, een geschiedenis die ingewikkeld is gemaakt door de noodzaak om, voor en na 1707, de gevolgen te bespreken van het deel uitmaken van een groter rijk. De tweede benadering is om naar een recentere basis te kijken, zoals hierboven gesuggereerd, een die een afname van het Britse karakter weerspiegelt. Er is geen unaniem correct antwoord. Elke benadering is relevant en heeft zijn verdiensten.

Een deel van het probleem, maar ook het antwoord, wordt gesuggereerd door de aard en omvang van meerdere identiteiten, door de overtuigingen en wensen die ze omvatten, en door de mate waarin deze factoren in de tijd variëren. Deze meervoudige identiteiten kunnen vandaag de dag gemakkelijk worden gezien en werden ook in het verleden gemanifesteerd. De Evening Standard van 10 oktober 2017 publiceerde de resultaten van een onderzoek van Queen Mary College, University of London, gebaseerd op een YouGov-enquête onder 1.044 Londenaren, waaruit bleek dat 46 procent van de ondervraagden 'Londenaren' als hun primaire identiteit noemde. cent Europees 17 procent Brits en slechts 12 procent Engels. Deze resultaten werden gekwalificeerd door de vraag hoe sterk ze elk van deze identiteiten voelden op een schaal van nul tot tien - een schaal die tot nu toe niet beschikbaar was voor historische discussies over meerdere identiteiten. Londenaar kwam bovenaan (7,7), gevolgd door Brit (7,4), Engels (6,6) en Europees (4,9). Mensen in Londen die in 2016 stemden om de Europese Unie te verlaten, voelden zich iets meer Brits dan Londenaren, met scores van 7,9 en 7,7 Europeanen scoorden 2,5.

Embed van Getty Images London is echter zowel een vitaal onderdeel van Engeland als atypisch in zijn mix van mensen en politiek. Dus hoewel Englishness als politiek idee in de jaren 2010 deels een reactie is op de opkomst van de Scottish Nationalist Party, is het ook deels een opstand tegen een door Londen gedomineerd verslag van Englishness. Dit werd benadrukt door de rol van Brexit, aangezien Londen, atypisch binnen Engeland, behalve universiteitssteden, de Remain-zaak steunde en sindsdien een centrum van Remain-sentiment is gebleven.

Meerdere identiteiten bestaan ​​breder dan met betrekking tot nationalisme, geografie en etniciteit. Ze hebben ook betrekking op de positie in het gezin, bijvoorbeeld als ouder en kind. Hier ligt de focus echter op geografie en nationalisme, die deel uitmaken van de totale identiteit van zowel Engeland als Groot-Brittannië. Parallel aan het argument dat er een bijzonder sterke identiteit bestaat, is er de realiteit van meerdere en overlappende identiteiten, waarbij noch 'meerdere' noch 'overlappende' veel richting geven aan prioriteiten in het geval van spanningen of botsingen. Er zijn ook tegenstrijdige identiteiten: men kan zowel lid zijn van de 'Church of England' in Schotland of Wales, als een Schot die onafhankelijkheid van Groot-Brittannië nastreeft.


De onafhankelijkheidsbewegingen in Amerika, 1776-1825, waren niet het hoogtepunt van het toenemende nationale bewustzijn binnen de koloniën. Evenmin hebben de onafhankelijkheidsoorlogen en de daaropvolgende strijd om levensvatbare nationale grondwetten en regeringen tot stand te brengen onmiddellijk tot coherente, duurzame nationale identiteiten geleid. In heel Amerika was het pleidooi voor onafhankelijkheid typisch gebaseerd op de verlichtingsprincipes van natuurlijke rechten en op belangenconflicten, niet op beweringen om de identiteit als volk te scheiden. Pas in 1810, nadat Napoleons invasie van Spanje en Portugal een crisis in de keizerlijke heerschappij veroorzaakte, begonnen de Latijns-Amerikaanse koloniën op weg te gaan naar onafhankelijkheid. De oprichting van moderne natiestaten in Amerika bood een belangrijk model voor nationalistische bewegingen in Amerika. Nationalisme in Amerika moet worden begrepen als onderdeel van een brede trans-Atlantische uitwisseling van ideeën, mensen en staatsmodellen die het eerste tijdperk markeerde in de geschiedenis van het moderne nationalisme.

Don H. Doyle, is de McCausland-hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van South Carolina en directeur van ARENA, de Vereniging voor Onderzoek naar Etniciteit en Nationalisme in Amerika. Samen met Marco Pamplona redigeerde hij een verzameling essays, Nationalisme in de Nieuwe Wereld (Athens, GA: University of Georgia Press, 2006. Zijn publicaties omvatten: Verdeelde naties: Amerika, Italië en de zuidelijke kwestie (Athene, GA: University of Georgia Press, 2002). Hij is momenteel bezig met het redigeren van een verzameling essays over Afscheiding als een internationaal fenomeen en het schrijven van een boek over het ontstaan ​​van Amerikaans nationalisme tussen de revolutie en de burgeroorlog.

Eric Van Young, is hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Californië, San Diego. Zijn boeken omvatten: Hacienda en markt in het achttiende-eeuwse Mexico: de landelijke economie van de regio Guadalajara, 1675-1810 (Berkeley, CA: University of California Press, 1981 rev. Edn., 2006) La crisis del orden koloniaal. Estructura agrarische y rebeliones populares en la Nueva España, 1750-1821 (Mexico-Stad: Alianza Editorial, 1992) en The Other Rebellion: Volksgeweld, ideologie en de strijd om de Mexicaanse onafhankelijkheid, 1810-1821 (Stanford, Californië: Stanford University Press, 2001).

Toegang tot de volledige inhoud op Oxford Handbooks Online vereist een abonnement of aankoop. Publieke gebruikers kunnen zonder abonnement op de site zoeken en de samenvattingen en trefwoorden voor elk boek en hoofdstuk bekijken.

Abonneer u of log in om toegang te krijgen tot de volledige tekstinhoud.

Als je een gedrukte titel hebt gekocht die een toegangstoken bevat, bekijk dan de token voor informatie over het registreren van je code.

Raadpleeg voor vragen over toegang of probleemoplossing onze veelgestelde vragen, en als u het antwoord daar niet kunt vinden, neem dan contact met ons op.


De geboorte van het Chinese nationalisme

In China is 4 mei de Dag van de Jeugd, een feestdag die in 1949 door de Communistische Partij is ingesteld en sindsdien af ​​en toe wordt gevierd. Op deze dag in 1989 demonstreerden meer dan 100.000 studenten op het Tiananmen-plein in Peking, een belangrijke mijlpaal op weg naar de tragische gebeurtenissen van 4 juni, toen Chinese troepen het vuur openden op de daar verzamelde burgers.

Dit jaar heeft de Chinese president en leider van de Communistische Partij, Xi Jinping, studenten opgeroepen om een ​​heel speciale Jongerendag te herdenken. But it’s not the 30th anniversary of 1989’s pro-democracy protests that he has in mind. Rather, it is the 100th anniversary of May 4, 1919, that he wants to commemorate. On that day a century ago, another group of students rallied in Tiananmen Square—demanding that the world respect the national dignity of China.

In China, May 4 is Youth Day, a holiday established by the Communist Party in 1949 and celebrated on and off ever since. On this day in 1989, more than 100,000 students demonstrated in Beijing’s Tiananmen Square, a key milestone on road to the tragic events of June 4, when Chinese troops opened fire on the civilians amassed there.

This year, China’s president and Communist Party leader, Xi Jinping, has called on students to commemorate a very special Youth Day. But it’s not the 30th anniversary of 1989’s pro-democracy protests that he has in mind. Rather, it is the 100th anniversary of May 4, 1919, that he wants to commemorate. On that day a century ago, another group of students rallied in Tiananmen Square—demanding that the world respect the national dignity of China.

In May 1919, the leaders of World War I’s victorious allies were meeting in Paris to determine the shape of the postwar world. Most Westerners know that the resulting Treaty of Versailles profoundly influenced subsequent European history through the foundation of the League of Nations, the rise of Adolf Hitler, and eventually World War II. Some may even know how the peace treaty, the Balfour Declaration, and the Sykes-Picot Agreement created the modern Middle East. But Westerners are less aware that the Treaty of Versailles also helped set in motion the series of events that led to the Japanese attack on Pearl Harbor, the Chinese Civil War, and today’s tensions between the United States and China over freedom of navigation in the South China Sea.

In 1919, China was one of the 32 victorious allies represented at the Paris Peace Conference. Like the United States, China joined the war late, but it had been providing moral and material support to the Allies from the beginning. China officially declared war on Germany and Austria-Hungary on Aug. 14, 1917, but by that point several hundred thousand Chinese workers were already boosting the Allied cause in France, the Middle East, and Russia. The best remembered of these are the 94,146 members of the Chinese Labour Corps who served with the British Army, but perhaps twice as many are thought to have served on the eastern front.

China’s major aim in World War I was the return of Qingdao and the surrounding Shandong Peninsula. Germany had occupied the Chinese port city of Qingdao in 1897, negotiating a forced lease on the city and its surroundings that, like the British lease on Hong Kong’s New Territories, was due to run though 1997. But in 1911 and 1912, the Qing dynasty, which had signed those treaties, was overthrown. The new government in Beijing, known as the Beiyang government after the army corps that formed it, negotiated with foreign powers to restore China’s territorial integrity. It sought the restitution of lands given up by the Qing dynasty in the unequal treaties of the 19th century, starting with Qingdao and the Shandong Peninsula.

The problem for China was not that Germany refused to cooperate. It was that Germany’s territory in the Shandong Peninsula had already been taken—by Japan. At the beginning of World War I, the United Kingdom, desperate for Japanese naval support in the Pacific, had offered the country the German naval base at Qingdao in exchange for entering the war on the Allied side. Japanese forces took Qingdao in November 1914.

As it became clear that Japan would not hand over the territory, university students from throughout Beijing marched into Tiananmen Square in protest. The government warned them to disband, but they disobeyed. They set fire to the house of one pro-Japanese government minister and physically assaulted a second. As the government cracked down on the protesters, sympathy strikes broke out all across urban China. The Beiyang government was divided between nationalist and pro-Japan elements, but the protests led to the dismissal of three pro-Japanese officials and the resignation of the entire cabinet. In the end, 31 countries and territories signed the Treaty of Versailles. China did not.

The May 4, 1919, protests were the first large-scale student demonstrations in Beijing’s Tiananmen Square. Then as now, Beijing’s universities were run on a Western model. Many of them had started as missionary schools. Peking University, for example, traces its origins to the old Imperial University, which was established in 1898 to bring Western knowledge to the capital. Tsinghua University was founded by a grant from the U.S. government, which redirected a portion of the indemnity paid by China for the destruction of American property in the Boxer Rebellion to the endowment of the school. The nerve center of the protests was the now-defunct Yenching University, which was formed from the consolidation of four American missionary schools.

The Western-educated students who poured into Tiananmen Square in 1919 were taught that empires were a relic of the pre-modern past and nation-states were the way of the future.

These schools represented something new and foreign to China’s established ruling class. The Beiyang government’s generals, warlords, and factional leaders had grown in up a multiethnic empire—most of the territory the Qing Dynasty had ruled (or at least claimed) was populated by non-Chinese people—but the Western-educated students who poured into Tiananmen Square in 1919 were educated in a different political culture. They were taught that empires were a relic of the pre-modern past and nation-states were the way of the future. Witnessing the collapse of the multi-ethnic Russian, Turkish, and Austro-Hungarian empires in World War I, they were eager to build a powerful Chinese nation-state. And looking across the sea to Japan, they saw a new one rising to global prominence. They were especially concerned that a rising Japan would gobble up China itself.

And so the May 4 protests began, inspiring a surge of anti-Japanese sentiment in China. That led to a nationwide boycott of imported Japanese goods and scattered anti-Japanese violence. The ensuing May Fourth Movement centered on rising Chinese—specifically Han Chinese—nationalism. It flowed into but was distinct from the more intellectual New Culture Movement of the same period, which focused on the overthrow of Confucian traditions and the transition to modernity. The enlightenment values of the New Culture Movement were not incompatible with the rising nationalism of the May Fourth Movement, but Chinese nationalism didn’t require the overthrow of Confucian tradition. It would eventually require the overthrow of the Beiyang government, though. And it almost certainly meant war with Japan as well.

In the 20 years between 1919 and the outbreak of World War II in Europe, Japan steadily encroached on Chinese territory. The Beiyang government, which had tried to balance conflicting demands from Japan, the Soviet Union, and the West, was unable to hold back the rising tide of Chinese nationalism. Some of the leaders of the May 4 demonstrations went on to participate in the formation of the Chinese Communist Party (CCP) in 1921. Others joined Chiang Kai-shek’s Nationalist party, the Kuomintang (KMT). Both the CCP and the KMT opposed the cosmopolitan Beiyang government, espousing alternative but nonetheless related ideologies of national liberation and renewal. The KMT ultimately defeated the Beiyang government on the battlefield and established a new national government for China in 1928.

The new Nationalist government faced Japanese aggression almost immediately: in northeast China’s Manchuria, in northern China’s Hebei province, and in Shanghai. In 1937, Japan invaded China outright, kicking off World War II in Asia more than two years before Hitler’s invasion of Poland. Although it is often forgotten now, the United States was then deeply involved in Asia. Responding to Japanese aggression against the United States’ ally, China, Washington placed restrictions on exports of aviation fuel, aircraft parts, and other war materiel to Japan. At first voluntary, these sanctions became ever tighter between 1938 and 1940. On July 26, 1941, the Franklin D. Roosevelt administration froze all Japanese assets in the United States. In other words, Japan’s Dec. 7, 1941, attack on Pearl Harbor was a direct consequence of U.S. support for an independent China.

After Japan’s defeat in World War II, the CCP renewed its civil war against the KMT government. The CCP pilloried the KMT as the tool of foreign imperialists, claiming the nationalist heritage of the May Fourth Movement. Although the Soviet Union cloaked itself in the mantle of communist internationalism, Mao Zedong unabashedly adopted the rhetoric of national liberation. After proclaiming the People’s Republic of China on Oct. 1, 1949, the CCP set about the ordinary business of administering the country, and when it promulgated its first list of public holidays, May 4 was designated as Youth Day.

The CCP continues to portray itself as both a communist party and a nationalist party. Unlike the Soviet Union, which made a charade of maintaining nominally independent communist parties in each of its 15 constituent republics, there has only ever been one Chinese Communist. When those fake Soviet republics became real countries in 1991, the CCP doubled down on its vision of China as one nation. The Chinese government encourages Han Chinese migration to the majority-Muslim provinces of Western China. It spends enormous sums of money to integrate remote Tibet into nationwide transportation networks. It tries to stamp out Cantonese and other regional dialects in favor of Mandarin. And it uses its blanket control over all forms of news and entertainment media to promote Chinese nationalism.

Echoing 1919, the government still regularly whips up Chinese nationalist sentiments over Japan’s possession of the uninhabited Senkaku Islands (known as the Diaoyu Islands in China). China has also revived historical claims to the reefs and rocks of the South China Sea, framing its military buildup there in the revanchist rhetoric of restoring the territorial integrity of China.

May 4 nationalism, in other words, is still very much alive. This May 4, Xi will be giving a special Youth Day speech in Beijing. He will surely be hoping that his audience thinks back to the 100th anniversary of 1919, not the 30th anniversary of 1989. Xi may be playing with fire in promoting the memory of student protests in Tiananmen Square, but as the CCP increasingly divorces itself from its communist roots, the nationalism of the May Fourth Movement may be all it has to fall back on.

Salvatore Babones is an adjunct scholar at the Centre for Independent Studies in Sydney. Twitter: @sbabones


How Did Nationalism Lead to WW1?

The rising nationalism that was apparent throughout Europe in the early twentieth century is often cited as one of the four longterm causes of World War One and with its natural links to both militarism and imperialism is considered by many historians to be the single biggest cause.

In this article, we shall attempt to define what nationalism was, in the context of nineteenth and twentieth century Europe, and have a look at how exactly nationalism contributed to the outbreak of World War I.

What is Nationalism?

Nationalism can be defined as a feeling of immense pride in one’s country or in one’s people. It is a fierce form of patriotism and at its most extreme can lead to negative attitudes towards other nations or even feelings of superiority over other peoples.

The Origins of Nationalism in Europe

A likely origin of the wave of nationalism that spread through Europe in the second half of the nineteenth century and the beginning of the twentieth century was the Spring of Nations, in 1848.

The Spring of Nations (also known as the Springtime of the Peoples) consisted of a series of political upheavals, although mostly democratic in nature, which had the aim of removing the old monarchical structures to create independent nation-states.

This national awakening grew out of a cultural revolution of nationhood and a national identity, where the notion of foreign rule began to be resented more and more by those citizens who were governed by a different nationality to their own and in the thirty years after the Spring of Nations, a total of seven new national states were created within Europe.

The June Uprising of 1848 in Prague

Examples of Nationalism Before WW1

Nationalism took many different forms within Europe, in the late nineteenth and early twentieth century. As well as those nations still seeking their independence, there were also those newly created nations looking to forge a place for themselves on the world stage.

Finally, there was a different type of nationalism, seen in those countries that had enjoyed a sustained period of prosperity and influence, both at home and abroad, and where some nationalists felt a certain superiority over most other countries and peoples.

British Nationalism

By the end of the nineteenth century, Britain had enjoyed two hundred years as the richest and most powerful nation on the planet, with the greatest empire the world had ever seen. Perhaps not surprisingly, a feeling of nationalist pride swept through the country during this time and there were many in the country who believed the British to be superior to all other nations in Europe.

British Nationalism – Britannia Rules The Waves

This idea of nationalism was spurred on by the British press, who regularly published satirical cartoons of foreign countries and their monarchs, often depicting them as greedy, arrogant or lazy.

A particularly dangerous form of popular press in Britain, towards the end of the century, was the Invasion genre of literature, which scared their readers into believing that the enemy was just about to invade this Sceptred Isle. As well as fuelling the flames of militarism in the country, these serialised novellas depicted foreign nations such as Germany and France in the worst possible light.

Pan-Germanism

Nationalism and xenophobia were just as rife in Germany, although the root of this patriotism was not from centuries of world dominance, but rather the overzealous optimism of a new nation-state.

In order to consolidate the newly unified Germany and strengthen the national identity of the German people, the government employed various strategies to help create a nationalist sentiment.

1908 map of German dialects.

Pan-Germanism sought to unify all of the German-speaking people in Europe, and was very successful in building a German national identity. Unfortunately, Pan-Germanism at its most extreme, such as the Pan-German League, which was founded in 1891, led to openly ethnocentric and racist ideologies, which would really come to the fore in the nineteen thirties and forties, with diabolical consequences.

German nationalism in the late nineteenth century was also intrinsically linked with German militarism—it was believed that the strength of the nation was mirrored by the strength of its military. And when the young and ambitious Wilhelm II became Kaiser, in 1888, he became the epitome of a nationalistic and militaristic Germany.

The Kaiser’s policy of Weltpolitik, the aim of which was to transform Germany into a global power, led the country to be envious of the other more established empires, especially that of Great Britain. As a result, Britain became a target for the German press, where she was portrayed as selfish and greedy, thus encouraging anti-British sentiments throughout the country.

Austro-Slavism

A very different type of nationalism emerged within Central Europe during the middle of the nineteenth century. Austro-Slavism was a political concept that originated within the Czech lands, which sought to solve the problems that the Slavs faced with the Habsburg Monarchy at that time.

Seen as a more peaceful alternative to the concept of pan-Slavism, the policy of Austro-Slavism proposed a federation of eight national regions, with a degree of self-rule. Austro-Slavism gained support from Slovaks, Slovenes, Croats and Poles, but was ultimately dismissed following the formation of Austria-Hungary, in 1867, which honoured Hungarian demands, but not Slavic ones.

Distribution of Races in Austria-Hungary

The political concept of Austro-Slavism helped lay the foundations for the The First Czechoslovak Republic, in 1918, following the end of World War One and the collapse of Austria-Hungary.

Pan-Slavism

Pan-Slavic postcard depicting Cyril and Methodius
with the text “God/Our Lord, watch over our heritage/grandfatherland” in 9 Slavic languages.

The roots of Pan-Slavism were similar to Pan-Germanism in that they originated from the nationalism of an ethnic group who wished to unite—in this case the Slavic people.

Again originating in the Czech lands, Pan-Slavism was especially embraced by the Slovak people, following the creation of Austria-Hungrary, when it became clear the preferred concept of Austro-Slavism was not going to be accepted by Austrian Emperor, Franz Jozeph I.

Ľudovít Štúr, who codified the first official Slovak language, wrote in his book, Slavdom and the World of the Future, that Austro-Slavism was no longer possible and he looked towards Russia, the only Slavic nation-state, to one day annexe the land of the Slovaks.

Pan-Slavism also had some supporters amongst the Czech and Slovak politicians, especially the nationalistic and far-right parties.

By the beginning of the twentieth century, Pan-Slavism had become especially popular amongst South Slavs, who often looked towards Russia for support. Here, the Pan-Slavism movement sought Slavs from both the Austro-Hungarian Empire and the Ottoman Empire to unite together.

The notion of a united nation of Southern Slavs was particular strong within the newly independent country of Serbia, who eventually sought to create a South Slav (Yugoslav) nation-state.

How Did Nationalism Lead to WW1?

The link between nationalism and WW1 is arguably the strongest of the 4 main longterm causes of World War One. But even then, certainly for the major European powers, nationalism was intrinsically linked with two of the other causes—imperialism and militarism. Meanwhile, the sense of nationalism for many of the smaller European countries, can be strongly linked to independence and self-rule.

Nationalism Linked to Imperialism

The link between nationalism and imperialism was twofold. While nationalists would take great pride from their nation’s empire building, they were also quick to condemn the other European powers as being greedy, cruel and insensitive for their imperial aspirations.

Meanwhile, imperialism had probably given the major powers a false idea of what war was really about. Apart from the Crimean War and the Franco-Prussian war, there had not really been a major conflict between two of the European powers for almost a century.

With the exception of France, none of the major powers had experienced defeat in the half century prior to WW1 and victories against less equipped armies in Africa and Asia had no doubt led to a naive overconfidence in each nation’s ability to win a war in Europe.

France watches on as the other major powers
greedily carve up China

Nationalism Linked to Militarism

Another of the effects of the growing nationalism in Europe was an inflated confidence in one’s nation when it came to the country’s military power.

In the decades leading up to the First World War, there had been a strong link between nationalism and militarism, where the citizens of many European nations felt immense pride in how strong and powerful their country was in military terms.

This led to governments being pressured by their peoples and the popular press to build more and more battleships, stockpile more and more weapons and enlist more and more men, so as to whet this patriotic appetite running through the nation of needing to be the most powerful—not only to defend the country from would-be aggressors, but also as a source of national pride.

Such was this military fervour amongst the populace that by the time 1914 came around, and Europe found itself on the brink of war, many of the major European powers had almost a feeling of invincibility about them, completely certain in the belief that their nation could not possibly lose a war.

Nationalism Linked to Independence

While there was obviously no link between nationalism and imperialism or militarism for the smaller nations in Europe, there was a link to something that was perhaps more worth fighting for—namely, a national identity and for many, independence and self-rule.

Following the Spring of Nations, in 1848, more and more nations in Europe won their independence and became nation-states, including Germany, Italy, Serbia and Bulgaria.

However, by 1914, there were still many more nations with ambitions of self-rule on the continent, especially within Austria-Hungary.

Dividing Up the Ottoman Empire

In particular, this awakening of a national identity was causing tensions in the Balkans, where things were just about to come to a head.

Nationalism in WW1

There is no doubting the strong nationalistic feelings of patriotic citizens throughout Europe, which were also evident once the war had started as well. An example of nationalism in WW1 would be the numbers of young men in Britain from all classes, who clamoured to volunteer for king and country at the beginning of the war.

Example of Nationalism in WW1

Of course, it was a different time when honour and doing one’s duty was still very much a thing, but nonetheless there is no doubt that WW1 nationalism also played its part.

It is much easier to recruit an army of patriotic men, who are convinced they are fighting for the right cause and who believe they are going to fight in a war, which they can’t lose.

When the reality of war began to set in, however, and it became harder and harder to attract new recruits, the government turned to different methods to pull on the nationalistic heart strings of the British people.

Propaganda posters painted the enemy as almost subhuman, who had committed unspeakable war crimes against our innocent allies—an evil that only Britain could defeat.

Other examples of nationalism in WW1 involved those patriotic citizens back home, who although were not directly involved in the fighting, were still needed by their country to win the war.

Older men and especially women fought the good fight at home, working in factories to help arm and supply the young lions and even children and the elderly played their part by foregoing certain foodstuffs and other creature comforts, so that the men at the front had everything they needed to defeat the enemy.


Inhoud

National awakening also grew out of an intellectual reaction to the Enlightenment that emphasized national identity and developed an authentic view of cultural self-expression through nationhood. The key exponent of the modern idea of the nation-state was the German G. W. Friedrich Hegel. The French Revolution, although primarily a republican revolution, initiated a movement toward the modern nation-state and also played a key role in the birth of nationalism across Europe where radical intellectuals were influenced by Napoleon and the Napoleonic Code, an instrument for the political transformation of Europe. "Its twin ideological goals, nationalism and democracy, were given substance and form during the tumultuous events beginning at the end of the eighteenth century." [3] Revolutionary armies carried the slogan of "liberty, equality to brotherhood" and ideas of liberalism and national self-determinism. He argued that a sense of nationality was the cement that held modern societies together in the age when dynastic and religious allegiance was in decline. In 1815, at the end of the Napoleonic wars, the major powers of Europe met at the Congress of Vienna and tried to restore the old dynastic system as far as possible, ignoring the principle of nationality in favour of "legitimism", the assertion of traditional claims to royal authority. With most of Europe's peoples still loyal to their local province or city, nationalism was confined to small groups of intellectuals and political radicals. Furthermore, political repression, symbolized by the Carlsbad Decrees published in Austria in 1819, pushed nationalist agitation underground.

Pre-1848 revolutions Edit

  • 1789, French Revolution
  • 1797- Napoleon establishes Sister Republics in Italy
  • 1804–15, Serbian Revolution against the Ottoman Empire
  • 1814, Norwegian independence attempt against Denmark-Norway and future Sweden & Norway, aftermath of the Napoleonic Wars (including War on independence)
  • 1821–29, Greek War of Independence against the Ottoman Empire
  • 1830, Croatian national revival
  • 1830–31, Belgian Revolution
  • 1830–31, Revolution in Poland and Lithuania
  • 1846, Uprising in Greater Poland

A strong resentment of what came to be regarded as foreign rule began to develop. In Ireland, Italy, Belgium, Greece, Poland, Hungary, and Norway local hostility to alien dynastic authority started to take the form of nationalist agitation. [ wanneer? ] The first revolt in the Ottoman Empire to acquire a national character was the Serbian Revolution (1804–17), [4] which was the culmination of Serbian renaissance [5] which had begun in Habsburg territory, in Sremski Karlovci. [4] The eight-year Greek War of Independence (1821–29) against Ottoman rule led to an independent Greek state, although with major political influence of the great powers. [6] The Belgian Revolution (1830–31) led to the recognition of independence from the Netherlands in 1839. [7] Over the next two decades nationalism developed a more powerful voice, spurred by nationalist writers championing the cause of self-determination. The Poles attempted twice to overthrow Russian rule in 1831 and 1863. In 1848, revolutions broke out across Europe, sparked by severe famine and economic crisis and mounting popular demand for political change. In Italy, Giuseppe Mazzini used the opportunity to encourage a war mission: "A people destined to achieve great things for the welfare of humanity must one day or other be constituted a nation".

In Hungary, Lajos Kossuth led a national revolt against Habsburg rule in Transylvania, Avram Iancu led successful revolts in 1846. The 1848 crisis had given nationalism its first full public airing, and in the thirty years that followed no fewer than seven new national states were created in Europe. This was partly the result of the recognition by conservative forces that the old order could not continue in its existing form. Conservative reformers such as Cavour and Bismarck made common cause with liberal political modernizers to create a consensus for the creation of conservative nation-states in Italy and Germany. In the Habsburg Monarchy a compromise was reached with Hungarians in 1867 which led to the establishment of the Dual Monarchy. Native history and culture were rediscovered and appropriated for the national struggle. Following a conflict between Russia and Turkey, the Great Powers met at Berlin in 1878 and granted independence to Romania, Serbia and Montenegro and limited autonomy to Bulgaria.

The invention of a symbolic national identity became the concern of racial, ethnic or linguistic groups throughout Europe as they struggled to come to terms with the rise of mass politics, the decline of the traditional social elites, popular discrimination and xenophobia. Within the Habsburg Monarchy the different peoples developed a more mass-based, radical and exclusive form of nationalism. This developed even among the Germans and Magyars, who actually benefited from the power-structure of the empire. On the European periphery, especially in Ireland and Norway, campaigns for national independence became more strident. In 1905, Norway won independence from Sweden, but attempts to grant Ireland a kind of autonomy foundered on the national divisions on the island between the Catholic and Protestant populations. The Polish attempts to win independence from Russia had previously proved to be unsuccessful, with Poland being the only country in Europe whose autonomy was gradually limited rather than expanded throughout the 19th century, as a punishment for the failed uprisings in 1831 Poland lost its status as a formally independent state and was merged into Russia as a real union country and in 1867 she became nothing more than just another Russian province. Faced with internal and external resistance to assimilation, as well as increased xenophobic anti-Semitism, radical demands began to develop among the stateless Jewish population of eastern and central Europe for their own national home and refuge. In 1897, inspired by the Hungarian-born Jewish nationalist Theodor Herzl, the First Zionist Congress was held in Basle, and declared their national 'home' should be in Palestine. By the end of the period, the ideals of European nationalism had been exported worldwide and were now beginning to develop, and both compete and threaten the empires ruled by colonial European nation-states.

Now, within the modern era, nationalism continues to rise in Europe, but in the form of anti-globalization. In a study recently conducted, researchers found that Chinese import shock from globalization leads to uneven adjustment costs being spread across regions of Europe. In response, there has been an increase in support for nationalist and radical-right wing parties in Europe that promote anti-globalist policies. [8]


Inhoud

The United States traces its origins to the Thirteen Colonies founded by Britain in the 17th and early 18th century. Residents identified with Britain until the mid-18th century when the first sense of being "American" emerged. The Albany Plan proposed a union between the colonies in 1754. Although unsuccessful, it served as a reference for future discussions of independence.

Soon afterward, the colonies faced several common grievances over acts passed by the British Parliament, including taxation without representation. Americans were in general agreement that only their own colonial legislatures—and not Parliament in London—could pass taxes. Parliament vigorously insisted otherwise and no compromise was found. The London government punished Boston for the Boston Tea Party and the Thirteen Colonies united and formed the Continental Congress, which lasted from 1774 to 1789. Fighting broke out in 1775 and the sentiment swung to independence in early 1776, influenced especially by the appeal to American nationalism by Thomas Paine. His pamphlet Gezond verstand was a runaway best seller in 1776. [5] Congress unanimously issued a Declaration of Independence announcing a new nation had formed, the United States of America. American Patriots won the American Revolutionary War and received generous peace terms from Britain in 1783. The minority of Loyalists (loyal to King George III) could remain or leave, but about 80% remained and became full American citizens. [6] Frequent parades along with new rituals and ceremonies—and a new flag—provided popular occasions for expressing a spirit of American nationalism. [7]

The new nation operated under the very weak national government set up by the Articles of Confederation and most Americans put loyalty to their state ahead of loyalty to the nation. Nationalists led by George Washington, Alexander Hamilton and James Madison had Congress call a constitutional convention in 1787. It produced the Constitution for a strong national government which was debated in every state and unanimously adopted. It went into effect in 1789 with Washington as the first President. [8]

In an 1858 speech, future President Abraham Lincoln alluded to a form of American civic nationalism originating from the tenets of the Declaration of Independence as a force for national unity in the United States, stating that it was a method for uniting diverse peoples of different ethnic ancestries into a common nationality:

If they look back through this history to trace their connection with those days by blood, they find they have none, they cannot carry themselves back into that glorious epoch and make themselves feel that they are part of us, but when they look through that old Onafhankelijkheidsverklaring they find that those old men say that "We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal", and then they feel that moral sentiment taught in that day evidences their relation to those men, that it is the father of all moral principle in them, and that they have a right to claim it as though they were blood of the blood, and flesh of the flesh of the men who wrote the Declaration, and so they are. That is the electric cord in that Declaration that links the hearts of patriotic and liberty-loving men together, that will link those patriotic hearts as long as the love of freedom exists in the minds of men throughout the world.

Amerikaanse Burgeroorlog Edit

White Southerners increasingly felt alienated—they saw themselves as becoming second-class citizens as aggressive anti-slavery Northerners tried to end their ability to take slaves to the fast-growing western territories. They questioned whether their loyalty to the nation trumped their loyalty to their state and their way of life since it was so intimately bound up with slavery, whether they owned any slaves or not. [10] A sense of Southern nationalism was starting to emerge, though it was inchoate as late as 1860 when the election of Lincoln was a signal for most of the slave states in the South to secede and form their own new nation. [11] The Confederate government insisted the nationalism was real and imposed increasing burdens on the population in the name of independence and nationalism. The fierce combat record of the Confederates demonstrates their commitment to the death for independence. The government and army refused to compromise and were militarily overwhelmed in 1865. [12] By the 1890s, the white South felt vindicated through its belief in the newly constructed memory of the Lost Cause of the Confederacy. The North came to accept or at least tolerate racial segregation and disfranchisement of black voters in the South. The spirit of American nationalism had returned to Dixie. [13]

The North's triumph in the American Civil War marked a significant transition in American national identity. The ratification of the Fourteenth Amendment settled the basic question of national identity, such as the criteria for becoming a citizen of the United States. Everyone born in the territorial boundaries of the United States or those areas and subject to its jurisdiction was an American citizen, regardless of ethnicity or social status (indigenous people on reservations became citizens in 1924 while indigenous people off reservations had always been citizens). [16]

With a very fast growing industrial economy, immigrants were welcome from Europe, Canada, Mexico and Cuba and millions came. Becoming a full citizen was an easy process of filling out paperwork over a five-year span. [17]

However, new Asian arrivals were not welcome. Restrictions were imposed on most Chinese immigrants in the 1880s and informal restrictions on most Japanese in 1907. By 1924, it was difficult for any Asian to enter the United States, but children born in the United States to Asian parents were full citizens. The restrictions were ended on the Chinese in the 1940s and on other Asians in 1965. [18]

Nationalism in the contemporary United States Edit

Nationalism and Americanism remain topics in the modern United States. Political scientist Paul McCartney, for instance, argues that as a nation defined by a creed and sense of mission Americans tend to equate their interests with those of humanity, which in turn informs their global posture. [19] In certain cases, it may be considered a form of ethnocentrism and American exceptionalism.

Due to the distinctive circumstances involved throughout history in American politics, its nationalism has developed in regards to both loyalty to a set of liberal, universal political ideals and a perceived accountability to propagate those principles globally. Acknowledging the conception of the United States as accountable for spreading liberal change and promoting democracy throughout the world's politics and governance has defined practically all of American foreign policy. Therefore, democracy promotion is not just another measure of foreign policy, but it is rather the fundamental characteristic of their national identity and political determination. [20]

The September 11 attacks of 2001 led to a wave of nationalist expression in the United States. This was accompanied by a rise in military enlistment that included not only lower-income Americans, but also middle-class and upper-class citizens. [21]

Varieties of American nationalism Edit

In a paper in the American Sociological Review, "Varieties of American Popular Nationalism", sociologists Bart Bonikowski and Paul DiMaggio report on research findings supporting the existence of at least four kinds of American nationalists, including, groups which range from the smallest to the largest: (1) the disengaged, (2) creedal or civic nationalists, (3) ardent nationalists, and (4) restrictive nationalists. [22]

Bonikowski and Dimaggio's analysis of these four groups found that ardent nationalists made up about 24% of their study, and they comprised the largest of the two groups which Bonikowski and Dimaggio consider "extreme". Members of this group closely identified with the United States, were very proud of their country, and strongly associated themselves with factors of national hubris. They felt that a "true American" must speak English, and live in the U.S. for most of his or her life. Fewer, but nonetheless 75%, believe that a "true American" must be a Christian and 86% believe a "true American" must be born in the country. Further, ardent nationalists believed that Jews, Muslims, agnostics and naturalized citizens were something less than truly American. The second class which Bonikowski and DiMaggio considered "extreme" was the smallest of the four classes, because its members made up 17% of their respondents. The disengaged showed low levels of pride in the institutions of government and they did not fully identify themselves with the United States. Their lack of pride extended to American democracy, American history, the political equality in the U.S., and the country's political influence in the world. This group was the least nationalistic of all of the four groups which they identified. [22]

The two remaining classes were less homogeneous in their responses than the ardent nationalists and disengaged were. Restrictive nationalists had low levels of pride in America and its institutions, but they defined a "true American" in ways that were markedly "exclusionary". This group was the largest of the four, because its members made up 38% of the study's respondents. While their levels of national identification and pride were moderate, they espoused beliefs which caused them to hold restrictive definitions of who "true Americans" were, for instance, their definitions excluded non-Christians." The final group to be identified were creedal nationalists, whose members made up 22% of the study's respondents who were studied. This group believed in liberal values, was proud of the United States, and its members held the fewest restrictions on who could be considered a true American. They closely identified with their country, which they felt "very close" to, and were proud of its achievements. Bonikowski and Dimaggio dubbed the group "creedal" because their beliefs most closely approximated the precepts of what is widely considered the American creed. [22]

As part of their findings, the authors report that the connection between religious belief and national identity is a significant one. The belief that being a Christian is an important part of what it means to be a "true American" is the most significant factor which separates the creedal nationalists and the disengaged from the restrictive and ardent nationalists. They also determined that their groupings cut across partisan boundaries, and they also help to explain what they perceive is the recent success of populist, nativist and racist rhetoric in American politics. [22]



Opmerkingen:

  1. Abdiraxman

    Het is waar! Het idee van een goede ondersteuning.

  2. Motilar

    Brilliant sentence and on time

  3. Eadlyn

    Many thanks for the help in this question, now I will not commit such error.

  4. Chaka

    Gewoon schijnen

  5. Samumi

    Natuurlijk. En ik kwam dit tegen.

  6. Macquarrie

    Het is ook mogelijk over deze kwestie, omdat alleen in een geschil de waarheid kan worden bereikt. :)

  7. Princeton

    Wonder wonderbaarlijk is het het stukje waarde

  8. Wambli-Waste

    Bravo, de briljante zin en het is tijdig

  9. Ravid

    Sorry voor het storen, maar ik heb meer informatie nodig.



Schrijf een bericht