Geschiedenis Podcasts

Regelapparatuur:

Regelapparatuur:


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

Toen een soldaat van het Britse leger de opdracht kreeg om de vijand aan het westfront aan te vallen, had hij in totaal 30 kilogram uitrusting bij zich. Dit omvatte een geweer, twee molensgranaten, 220 munitie, een stalen helm, draadknippers, velddressing, verschansingsgereedschap, overjas, twee zandzakken, opgerold grondzeil, waterfles, plunjezak, messtin, handdoek, scheerset, extra sokken, berichtenboek en geconserveerde voedselrantsoenen. Het gewicht van de uitrusting maakte het moeilijk om heel snel door Niemandsland te bewegen.

We hadden een rantsoen voor twee dagen en de 150 munitie die we altijd bij ons hebben. Ik nam alleen een extra paar sokken, maar ik wenste voordat ik terugkwam dat ik drie extra paar had genomen. We droegen onze geweldige jassen, met daar bovenop een volledige uitrusting. Onze mack zetten we bovenop de verpakking. Onze waterfles was vol en natuurlijk droegen we onze mess tin, ook mok en bestek. De enige deken die we mochten meenemen was in het grondzeil gerold en als een halsband om onze nek geslagen. Verder droeg ik mijn zakprimus en een blikje paraffine, twee kleine blikjes Heinz-bonenbonen, vaseline, een tommy's cooker en een blikje vulling; een paar handschoenen, wanten en een uitlaat. Daarnaast droegen we ons geweer. Ik wou dat je ons had kunnen zien. We zagen eruit als geanimeerde oude kledingwinkels.

We floot en zongen de Marseillaise terwijl we stapten. Ik was beladen met een rugzak (deken, waterdicht laken, overjas, twee hemdjes, twee onderbroeken, zes zakdoeken, twee handdoeken en verschillende boeken) een rugzak (voedsel, scheergerei, zeep, tandpasta, zakdoekjes en prullaria ) graafwerktuig en handvat om in te graven; een grote waterfles vol koude thee en mijn veldbril. En mijn woord, het was zwaar lopen! Dit is marsorde.


Regelapparatuur - Geschiedenis

Tegenwoordig hebben werknemers die hun loopbaan in gevaarlijke omgevingen doorbrengen toegang tot een breed scala aan beschermende kleding en uitrusting om hen veilig te houden. Van duurzame helmen tot full-body pakken, het assortiment zogenaamde persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) omvat bijna alles wat nodig is om de veiligheid van werknemers op elk soort werkplek te garanderen. Het lijdt geen twijfel dat dit soort apparatuur voor veel beroepen absoluut noodzakelijk is. De werkende persoon van vandaag wordt vaak geconfronteerd met een aantal gevaren op een vrij routinematige basis. Bouwplaatsen zijn beladen met vallende voorwerpen die dodelijke verwondingen kunnen veroorzaken. Medische laboratoria bevatten gevoelige biologische materialen die ernstige ziekten kunnen veroorzaken. Bepaalde industriële locaties hebben mogelijk warmtegenererende apparatuur waardoor brandbare kleding in brand kan vliegen. De lijst met mogelijke gevaren gaat maar door, maar de juiste uitrusting en kleding, plus een beetje gezond verstand, is meestal voldoende om letsel te voorkomen.

Als leverancier van hoogwaardige werkplekuniformen sinds 1932 is Prudential Overall Supply trots op de rol die het heeft gespeeld - en nog steeds speelt - om werknemers te beschermen tegen schade. Het is echter de moeite waard om in gedachten te houden dat de arbeiders niet altijd toegang hebben gehad tot dit soort hoogwaardige beschermende uitrusting. De relatief veilige werkomgeving waar zo velen tegenwoordig van profiteren, is het resultaat van een lange geschiedenis van innovaties die zijn ontwikkeld door een aantal ondernemende individuen. Laten we eens kijken naar de geschiedenis van persoonlijke beschermingsmiddelen door de ontwikkeling in kaart te brengen van bepaalde soorten veiligheidsuitrusting die we tegenwoordig zo vaak als vanzelfsprekend beschouwen.

Handschoenen - Beschermende handschoenen bestaan ​​al letterlijk duizenden jaren. Sterker nog, ze krijgen zelfs een vermelding in Homer's Odyssee, die dateert uit de achtste eeuw voor Christus. dit oude gedicht bevat een korte beschrijving van Laertes die handschoenen gebruikt om zijn handen te beschermen tegen doornen terwijl hij in zijn tuin werkt. De oude Griekse historicus Xenophon vermeldt ook dat de Perzen van zijn tijd handschoenen droegen om hun handen tegen de kou te beschermen.

Door de eeuwen heen werden handschoenen ook een soort fashion statement, geliefd bij royalty's en andere vooraanstaande personen. Maar de gewone arbeider gebruikte ze ook, bijvoorbeeld tijdens de middeleeuwen droegen metselaars schapenvachthandschoenen bij het hanteren van gevaarlijke gereedschappen of materialen. Ook werden leren handschoenen vaak gebruikt door jagers. Tegenwoordig worden er veel soorten handschoenen gebruikt op bouwplaatsen, allemaal met het doel de handen te beschermen tegen een of andere vorm van schade. Prudential verkoopt verschillende soorten handschoenen, waaronder fleecehandschoenen die isolatie bieden in koude omgevingen op www.shopprudentialuniforms.com.

Harde hoeden Het idee om beschermende kleding te gebruiken om je hoofd te beschermen tegen harde voorwerpen is niet nieuw, zoals je waarschijnlijk hebt gemerkt als je ooit een film hebt gezien die oorlogsvoering in de oudheid of de middeleeuwen uitbeeldt. De helmen die voor dit doel worden gebruikt, dateren zelfs uit de 10e eeuw voor Christus - en mogelijk zelfs daarvoor. Maar het was pas in de 19e eeuw dat werkende mensen hoofddeksels konden gebruiken om hun schedels te beschermen tegen gevaar. Werknemers op scheepswerven kwamen op het idee om teer op hun hoeden te doen en ze vervolgens in de zon te laten drogen. Hierdoor ontstond een stevige, duurzame hoed die hun hoofd kon beschermen tegen het gevaar van vallende voorwerpen. Rond dezelfde tijd bedacht een brandweerman uit New York, Henry T. Gratacap, een helm die speciaal bedoeld was voor degenen in zijn vak. Het basisontwerp van Gratacap is tot op de dag van vandaag grotendeels intact gebleven in zijn gekozen beroep.

In 1898 begon Edward Dickinson Bullard, een zakenman uit Californië, beschermende hoofddeksels van leer te verkopen. Zijn bedrijf deed het jarenlang vrij goed, totdat het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hem op het idee bracht om zijn leren hoeden te upgraden. De zoon van Bullard was een strijder in de Eerste Wereldoorlog toen hij terugkeerde naar de VS na zijn tournee, hij bracht de stalen helm mee die hij als soldaat had gedragen. Dit bracht Bullard op een idee: waarom niet een soortgelijk type hoofddeksel gebruiken voor werknemers op bouwplaatsen en aanverwante omgevingen? De zogenaamde "helm" was geboren.

Tegenwoordig is de veiligheidshelm op veel soorten werkplekken vereist. De productlijn van Prudential omvat opklikbare kappen en gezichtsmaskers die zijn ontworpen om extra bescherming te bieden aan werknemers die een veiligheidshelm dragen. Het is ook de moeite waard om erop te wijzen dat sommige soorten hoofddeksels meer kunnen dan alleen de schedel beschermen tegen externe objecten. Zogenaamde "hi-visibility"-hoeden helpen werknemers om veilig te blijven in omgevingen waar het zicht vaak wordt belemmerd.

Veiligheidsbril - Lassers, laboratoriummedewerkers en andere personen die in gevaarlijke omgevingen werken, kunnen de veiligheidsbril bedanken voor de bescherming van hun gezichtsvermogen. Het duurde echter even voordat iemand op het idee kwam voor speciale brillen om het zicht van werknemers te beschermen tegen bedreigingen van buitenaf. Hoewel brillen die worden gebruikt om slechtziendheid te vergroten al eeuwenlang bestaan, kwam de echte doorbraak op het gebied van veiligheid toen de Afro-Amerikaanse uitvinder Powell Johnson in 1880 zijn 'oogbeschermers' patenteerde (Amerikaans octrooi nr. 234.039). In de 20e eeuw nam de vraag naar hoge -oogbescherming van hoge kwaliteit, aangezien individuen in verschillende industrieën behoefte hadden aan dergelijke uitrusting. Dit leidde tot verdere verfijningen van het basisontwerp.

Tegenwoordig kan een goede veiligheidsbril vaak een aantal waardevolle functies vervullen: de ogen beschermen tegen UV-stralen, chemicaliën en andere gevaren, en het zicht verbeteren.

Overall - Dit type werkkleding helpt de veiligheid van het personeel te waarborgen door een doorlopend kledingoppervlak te bieden dat vele soorten gevaarlijke materialen, zoals schimmels en/of mineralen, zoals asbest, buiten houdt. Het kan de werknemer ook beschermen tegen de schadelijke effecten van te hoge (of lage) temperaturen. Deze kleding is meestal gemaakt van zeer dichte maar flexibele materialen die gevaren buiten houden en de werknemer volledige bewegingsvrijheid geven.

In de 19e eeuw begonnen brandweerlieden speciale beschermende kleding te gebruiken die bedoeld was om hen te beschermen tegen de verschillende gevaren die aan het beroep verbonden zijn. Aanvankelijk werden wollen uniformen gebruikt om een ​​zekere mate van bescherming te bieden tegen extreme hitte. Voor brandweerlieden verliep de vooruitgang traag. Pas in de jaren na de Tweede Wereldoorlog werden hun uniformen gestandaardiseerd en werden ze onderworpen aan strenge veiligheidsnormen. Terwijl het brandweervak ​​deze veranderingen doormaakte, begonnen andere industrieën de behoefte in te zien aan soortgelijke beschermende kleding. Dit leidde tot de ontwikkeling van beschermende overalls, die tegenwoordig in vele varianten verkrijgbaar zijn om aan de behoeften van verschillende industrieën te voldoen.


Wat is PBM? Preventie en regulering

De geschiedenis van beschermende kleding gaat terug tot de achtste eeuw voor Christus. waar het is gedocumenteerd uit een oud Grieks gedicht "Homers Odyssey". Dit omvat een korte beschrijving van Laertes die handschoenen gebruikt om zijn handen te beschermen tegen doornen terwijl hij in zijn tuin werkt. De oude Griekse historicus Xenophon vermeldt ook dat de Perzen van zijn tijd handschoenen droegen om hun handen tegen de kou te beschermen.

Door de eeuwen heen werden handschoenen een modestatement, geliefd bij royalty's en andere vooraanstaande personen. Maar de gewone arbeider gebruikte ze ook, bijvoorbeeld tijdens de middeleeuwen droegen metselaars schapenvachthandschoenen bij het hanteren van gevaarlijke gereedschappen of materialen. Ook werden leren handschoenen vaak gebruikt door jagers. Tegenwoordig worden er veel soorten handschoenen gebruikt op bouwplaatsen, allemaal met als doel de handen te beschermen tegen schade van welke aard dan ook.

Bescherming van het hoofd was ook van het grootste belang, vooral in oorlogssituaties waar in de loop van de menselijke oudheid helmen van veel verschillende typen werden gemaakt voor zowel praktische doeleinden als bekendheid. De meeste vroege helmen hadden voornamelijk militaire toepassingen, hoewel sommige meer ceremoniële dan gevechtsgerelateerde doeleinden hadden. Het oudst bekende gebruik van helmen was door Assyrische soldaten in 900 voor Christus, die dikke leren of bronzen helmen droegen om het hoofd te beschermen tegen stompe voorwerpen en zwaardslagen en pijlen in gevechten. Helmen die voor dit doel worden gebruikt, dateren uit de 10e eeuw voor Christus - en mogelijk zelfs daarvoor. Maar het was pas in de 19e eeuw dat werkende mensen hoofddeksels konden gebruiken om hun schedels te beschermen tegen gevaar. Werknemers op scheepswerven kwamen op het idee om teer op hun hoeden te doen en ze vervolgens in de zon te laten drogen. Dit creëerde een stevige, duurzame hoed die hun hoofd kon beschermen tegen het gevaar van vallende voorwerpen. Rond dezelfde tijd bedacht een brandweerman uit New York, Henry T. Gratacap, een helm die speciaal bedoeld was voor degenen in zijn vak. Het basisontwerp van Gratacap overleeft tot op de dag van vandaag grotendeels intact in zijn gekozen beroep.

Lees meer over de verschillende soorten veiligheidshelmen en hun gebruik:

Edward Dickinson Bullard

In 1898 begon Edward Dickinson Bullard, een zakenman uit Californië, beschermende hoofddeksels van leer te verkopen. Zijn bedrijf deed het jarenlang vrij goed, totdat het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hem op het idee bracht om zijn leren hoeden te upgraden. De zoon van Bullard was een strijder in WOI en toen hij na zijn rondreis terugkeerde naar de VS, bracht hij de stalen helm mee die hij als soldaat had gedragen. Dit bracht Bullard op een idee: waarom niet een soortgelijk type hoofddeksel gebruiken voor werknemers op bouwplaatsen en aanverwante omgevingen? Hiermee werd de zogenaamde ‘helm’ geboren.

Wat is PBM?

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) verwijst naar beschermende kleding, helmen, veiligheidsbrillen of andere kledingstukken of uitrusting die zijn ontworpen om het lichaam van de drager te beschermen tegen letsel of infectie. De gevaren die door beschermende uitrusting worden aangepakt, zijn onder meer fysieke, elektrische, hitte, chemicaliën, biologische gevaren en zwevende deeltjes in de lucht. Beschermende uitrusting mag worden gedragen voor werkgerelateerde veiligheids- en gezondheidsdoeleinden, maar ook voor sport en andere recreatieve activiteiten. 'Beschermende kleding' wordt toegepast op traditionele kledingcategorieën en 'beschermende kleding' is van toepassing op items zoals pads, bewakers, schilden of maskers, samen met andere items.

Het doel van persoonlijke beschermingsmiddelen is om de blootstelling van werknemers aan gevaren te verminderen wanneer technische controles en administratieve controles niet haalbaar of effectief zijn om deze risico's tot aanvaardbare niveaus terug te brengen. PBM zijn nodig wanneer er gevaren aanwezig zijn. Persoonlijke beschermingsmiddelen hebben de ernstige beperking dat ze het gevaar niet bij de bron elimineren en ertoe kunnen leiden dat werknemers aan het gevaar worden blootgesteld als de apparatuur defect raakt.

Elk item van PBM vormt een barrière tussen de drager/gebruiker en de werkomgeving. Dit kan de drager extra belasten, zijn vermogen om zijn werk uit te voeren aantasten en aanzienlijk ongemak veroorzaken. Elk van deze kan dragers ontmoedigen om PBM correct te gebruiken, waardoor ze het risico lopen op letsel, slechte gezondheid of, onder extreme omstandigheden, overlijden. Een goed ergonomisch ontwerp kan helpen om deze barrières te minimaliseren en kan daarom bijdragen aan veilige en gezonde werkomstandigheden door het juiste gebruik van PBM.

Goede oefeningen

Praktijken voor veiligheid en gezondheid op het werk kunnen gebruik maken van risicobeheersing en interventies om de gevaren op de werkplek te verminderen, die een bedreiging vormen voor de veiligheid en kwaliteit van leven van werknemers. De hiërarchie van gevarenbeheersing biedt een beleidskader waarin de soorten gevarenbeheersing worden gerangschikt in termen van absolute risicovermindering. Bovenaan de hiërarchie staan ​​eliminatie en vervanging, die het gevaar volledig wegnemen of het gevaar vervangen door een veiliger alternatief. Als eliminatie- of vervangingsmaatregelen niet kunnen worden toegepast, worden technische controles en administratieve controles geïmplementeerd, die gericht zijn op het ontwerpen van veiligere mechanismen en het coachen van veiliger menselijk gedrag. Persoonlijke beschermingsmiddelen staan ​​op de laatste plaats in de hiërarchie van controles, aangezien de werknemers regelmatig worden blootgesteld aan het gevaar, met een barrière van bescherming. De hiërarchie van controles is belangrijk om te erkennen dat, hoewel persoonlijke beschermingsmiddelen een enorm nut hebben, het niet het gewenste controlemechanisme is in termen van veiligheid van werknemers.

"PBM heeft de ernstige beperking dat het gevaar niet bij de bron wordt geëlimineerd en dat werknemers kunnen worden blootgesteld aan het gevaar als de apparatuur uitvalt"

Voorbeelden van PBM zijn oorkappen, ademhalingstoestellen, gezichtsmaskers, veiligheidshelmen, handschoenen, schorten en veiligheidsbrillen. PBM beperken de blootstelling aan de schadelijke effecten van een gevaar, maar alleen als werknemers de PBM correct dragen en gebruiken.

Administratieve controles en persoonlijke beschermingsmiddelen mogen alleen worden gebruikt:

  • Wanneer er geen andere praktische beheersmaatregelen beschikbaar zijn (als laatste redmiddel)
  • Als voorlopige maatregel totdat een effectievere manier om het risico te beheersen kan worden gebruikt
  • Ter aanvulling van beheersmaatregelen op hoger niveau (als back-up)
  • Als laatste redmiddel, waar geen andere praktische beheersmaatregelen beschikbaar zijn
  • Een kortetermijnmaatregel zijn totdat een effectievere manier om het risico te beheersen kan worden gebruikt
  • Samen met andere beheersmaatregelen zoals plaatselijke afzuiging
  • Uit zichzelf tijdens onderhoudswerkzaamheden

"De eerste vraag die moet worden gesteld, is: kan het gevaar bij de bron worden geëlimineerd, zoals veiligheid in het ontwerp?"

Wel kunnen er specifieke PBM-eisen gelden bij het werken met schadelijke stoffen of bij bepaalde werkzaamheden zoals asbest en/of infectieziekten. Voor een bepaald gevaar kan meer dan één beheersmaatregel nodig zijn om het risico aan te pakken. Het beheersen van het risico van blootstelling aan een giftige chemische stof kan bijvoorbeeld de installatie van een ventilatiesysteem en het opstellen van een preventief onderhoudsprogramma voor het ventilatiesysteem en het gebruik van waarschuwingsborden en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen vereisen. Als u bescherming biedt tegen blootstelling aan een stof, zoals een gevaarlijke chemische stof of een biologische stof, overweeg dan hoe de stof het lichaam kan binnendringen. Als een chemische stof bijvoorbeeld door de longen en de huid kan worden geabsorbeerd, kan zowel huidbescherming als ademhalingsbescherming nodig zijn.

Het hebben van een veilig werksysteem is essentieel en benadrukt de businesscase voor veiligheid. Bij de investering in werk, gezondheid en veiligheid moet rekening worden gehouden met een strategische. De hiërarchie van risicobeheersing maakt gebruik van een methode van top-down management. Door prioriteit te geven aan hogere risicobeheersingsmethoden die specifiek verband houden met de potentiële gevaren, zorgt dit voor een veiligere werkplek en is de investering in veiligheid die nodig is om een ​​situatie aan te duiden waarin elke partij op de een of andere manier profiteert van een betere productiviteit en veiligere werknemers.

Dus in de toekomst is de eerste vraag die moet worden gesteld: "Kan het gevaar bij de bron worden geëlimineerd, zoals veiligheid in het ontwerp?" Zo ja, probleem opgelost. Als dat niet het geval is, begint u met het afwerken van de lijst en kwalificeert u uw antwoord door ervoor te zorgen dat de juiste controles zijn geïdentificeerd. Het senior management en alle werknemers die door de veranderingen worden getroffen, moeten worden geraadpleegd en hun input moet worden ingewonnen. Dit zal het toezicht minimaliseren en de steun en acceptatie van de veranderingen vergroten en kan ook leiden tot een grotere tevredenheid van de werknemers en uiteindelijk leiden tot een win-winsituatie voor iedereen.


Regelgeschiedenis

In 1990 wijzigde de Oil Pollution Act de Clean Water Act om bepaalde olieopslagfaciliteiten te verplichten om Facility Response Plans op te stellen. Op 1 juli 1994 rondde EPA de herzieningen af ​​die eigenaren of exploitanten van installaties opdragen plannen voor te bereiden en in te dienen voor het reageren op een ongunstigste olielozing (subdeel D).

Na de olieramp in Floreffe, Pennsylvania in 1988, vormde EPA de SPCC Task Force om de federale regelgeving met betrekking tot olielozingen uit bovengrondse opslagtanks te onderzoeken. De SPCC-taskforce heeft EPA aanbevolen:

  • verduidelijking van een aantal bepalingen in de verordening ter voorkoming van verontreiniging door olie,
  • aanvullende technische vereisten vast te stellen voor gereguleerde faciliteiten, en
  • vereisen de voorbereiding van faciliteitspecifieke responsplannen.

In reactie op de aanbeveling van de Task Force heeft EPA in de jaren negentig herzieningen van de verordening ter voorkoming van olieverontreiniging voorgesteld en de wijzigingen in 2002 afgerond. specifieke wettelijke vereisten.


Een geschiedenis van regulering van medische hulpmiddelen en toezicht in de Verenigde Staten

De Food and Drug Administration (FDA) is de oudste uitgebreide consumentenbeschermingsinstantie in de Verenigde Staten. Het toezicht van de FDA op voedsel en medicijnen begon in 1906 toen president Theodore Roosevelt de Pure Food and Drugs Act ondertekende. Sindsdien heeft het Congres de rol van de FDA uitgebreid bij de bescherming en bevordering van de ontwikkeling van geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik, biologische producten, medische hulpmiddelen en producten die straling afgeven, voedsel voor mens en dier en cosmetica.

In de jaren zestig en zeventig reageerde het Congres op de wens van het publiek voor meer toezicht op medische hulpmiddelen door de wijziging van medische hulpmiddelen bij de Federal Food, Drug and Cosmetic Act goed te keuren. In 1982 fuseerden de organisatie-eenheden van de FDA die medische hulpmiddelen en stralingsafgevende producten regelden tot het Center for Devices and Radiological Health (CDRH).

De onderstaande chronologie belicht mijlpalen in de geschiedenis van de wetgeving op het gebied van medische hulpmiddelen in de Verenigde Staten. Zie voor meer details de tekst van de afzonderlijke wetten.


Referenties en verder lezen

Aldrich, Mark. Safety First: technologie, arbeid en zaken bij het bouwen van arbeidsveiligheid, 1870-1939. Baltimore: Johns Hopkins University Press, 1997.

Aldrich, Mark. “Preventing ‘The Needless Peril of the Coal Mine''8217: het Bureau of Mines and the Campaign Against Coal Mine Explosions, 1910-1940.'8221 Technologie en cultuur 36, nee. 3 (1995): 483-518.

Aldrich, Mark. “The Peril of the Broken Rail: the Carriers, the Steel Companies, and Rail Technology, 1900-1945.” Technologie en cultuur 40, nee. 2 (1999): 263-291

Aldrich, Mark. “Train Wrakken naar tyfus: de ontwikkeling van spoorweggeneeskundige organisaties, 1850 - Wereldoorlog I.'8221 Bulletin van de geschiedenis van de geneeskunde, 75, nee. 2 (zomer 2001): 254-89.

Derickson Alan. “Participatieve verordening van gevaarlijke arbeidsomstandigheden: veiligheidscomités van de United Mine Workers of America,” Arbeidsstudies tijdschrift 18, nee. 2 (1993): 25-38.

Dix, Kees. Werkrelaties in de kolenindustrie: het tijdperk van het handmatig laden. Morgantown: University of West Virginia Press, 1977. De beste bespreking van het kolenmijnwerk voor deze periode.

Dix, Kees. Wat moet een mijnwerker doen?? Pittsburgh: University of Pittsburgh Press, 1988. De beste bespreking van kolenmijnarbeid tijdens het tijdperk van mechanisatie.

Fairris, David. “Van exit tot voice in Shopfloor Governance: The Case of Company Unions.” Beoordeling bedrijfsgeschiedenis 69, nee. 4 (1995): 494-529.

Fairris, David. “Institutionele verandering in het bestuur van de werkvloer en het traject van naoorlogse letselpercentages in de Amerikaanse maakindustrie, 1946-1970.” Industriële en arbeidsverhoudingen Review 51, nee. 2 (1998): 187-203.

Fishback, prijs. Zachte kolen Harde keuzes: het economisch welzijn van bitumineuze mijnwerkers, 1890-1930. New York: Oxford University Press, 1992. De beste economische analyse van de arbeidsmarkt voor kolenmijnarbeiders.

Fishback, Price en Shawn Kantor. Een opmaat naar de verzorgingsstaat: de oorsprong van de compensatie van arbeiders8217. Chicago: University of Chicago Press, 2000. De beste discussies over hoe de aansprakelijkheidsregels van werkgevers werkten.

Graebner, Willem. Veiligheid kolenmijnen in de progressieve periode. Lexington: Universiteit van Kentucky Press, 1976.

Groot-Brittannië Board of Trade. Algemeen rapport over de ongevallen die zich hebben voorgedaan op de spoorwegen van het Verenigd Koninkrijk in het jaar 1901. Londen, HMSO, 1902.

Hoofdinspecteur van de mijnen van het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken. Algemeen rapport met statistieken voor 1914, deel I. Londen: HMSO, 1915.

Hounshell, David. Van het Amerikaanse systeem tot massaproductie, 1800-1932: de ontwikkeling van productietechnologie in de Verenigde Staten. Baltimore: Johns Hopkins University Press, 1984.

Humphrey, H. B. “Historische samenvatting van kolenmijnexplosies in de Verenigde Staten — 1810-1958.” Bulletin van het Amerikaanse Bureau of Mines 586 (1960).

Kirkland, Edward. Mannen, steden en vervoer. 2 vol. Cambridge: Harvard University Press, 1948, bespreekt spoorwegregelgeving en veiligheid in New England.

Lankton, Larry. Van wieg tot graf: leven, werk en dood in kopermijnen in Michigan. New York: Oxford University Press, 1991.

Licht, Walter. Werken bij de spoorwegen. Princeton: Princeton University Press, 1983.

Lang, Priscilla. Waar de zon nooit schijnt. New York: Paragon, 1989. Behandelt de veiligheid van kolenmijnen aan het einde van de negentiende eeuw.

Mendeloff, Johannes. Veiligheid reguleren: een economische en politieke analyse van het arbeidsveiligheids- en gezondheidsbeleid. Cambridge: MIT Press, 1979. Een toegankelijke moderne discussie over veiligheid onder OSHA.

Nationale Academie van Wetenschappen. Op weg naar veiligere ondergrondse kolenmijnen. Washington, DC: NAS, 1982.

Rogers, Donald. “Van gewoonterecht tot fabriekswetten: de transformatie van arbeidsveiligheidswetten in Wisconsin vóór het progressivisme.'8221 Amerikaans tijdschrift voor rechtsgeschiedenis (1995): 177-213.

Wortel, Norman en Daley, Judy. “Zijn vrouwen veiligere werknemers? Een nieuwe kijk op de gegevens.” Maandelijkse arbeidsbeoordeling 103, nee. 9 (1980): 3-10.

Rosenberg, Nathan. Technologie en Amerikaanse economische groei. New York: Harper and Row, 1972. Analyseert de krachten die de Amerikaanse technologie vormgeven.

Rosner, David en Gerald Markowity, redacteuren. Sterven voor werk. Blomington: Indiana University Press, 1987.

Shaw, Robert. Neerwaartse remmen: een geschiedenis van spoorwegongevallen, veiligheidsmaatregelen en werkwijzen in de Verenigde Staten van Amerika. Londen: P.R. Macmillan. 1961.

Trachenberg, Alexander. De geschiedenis van de wetgeving voor de bescherming van mijnwerkers in Pennsylvania, 1824 – 1915. New York: Internationale Uitgevers. 1942.

U.S. Department of Commerce, Bureau of the Census. Historische statistieken van de Verenigde Staten, koloniale tijden tot 1970. Washington, D.C., 1975.

Usselman, Steven. “Luchtremmen voor goederentreinen: technologische innovatie in de Amerikaanse spoorwegindustrie, 1869-1900.” Beoordeling bedrijfsgeschiedenis 58 (1984): 30-50.

Viscusi, W. Kip. Risico naar keuze: gezondheid en veiligheid op de werkplek reguleren. Cambridge: Harvard University Press, 1983. De meest leesbare behandeling van moderne veiligheidskwesties door een vooraanstaand wetenschapper.

Wallace, Anthony. Sint Clara. New York: Alfred A. Knopf, 1987. Biedt een uitstekende bespreking van de vroege antracietmijnbouw en veiligheid.

Whaples, Robert en David Buffum. “Verbroedering, paternalisme, het gezin en de markt: verzekering een eeuw geleden.” Geschiedenis van de sociale wetenschappen 15 (1991): 97-122.

Wit, Johannes. De Amerikaanse spoorwegvrachtwagen. Baltimore: Johns Hopkins University Press, 1993. De definitieve geschiedenis van de goederenwagentechnologie.

Whiteside, James. Gevaar reguleren: de strijd om mijnveiligheid in de steenkoolindustrie van Rocky Mountain. Lincoln: Universiteit van Nebraska Press, 1990.

Wokutch, Richard. Werknemersbescherming Japanse stijl: veiligheid en gezondheid op het werk in de auto-industrie. Ithaca, NY: ILR, 1992

Worrall, John, redacteur. Veiligheid en de beroepsbevolking: prikkels en belemmeringen voor de beloning van werknemers. Ithaca, NY: ILR Press, 1983.

1 Verwondingen of doden worden uitgedrukt in tarieven. Als bijvoorbeeld tien werknemers van de 450 werknemers gedurende een jaar gewond raken, zou het percentage .006666 zijn. Voor de leesbaarheid kan het worden uitgedrukt als 6,67 per duizend of 666,7 per honderdduizend werknemers. Tarieven kunnen ook worden uitgedrukt per miljoen werkuren. Dus als het gemiddelde arbeidsjaar 2000 uur is, resulteren tien verwondingen op 450 werknemers in [10/450 & 2152000] x 1.000.000 = 11,1 verwondingen per miljoen gewerkte uren.

2 Voor statistieken over arbeidsongevallen van 1922-1970, zie U.S. Department of Commerce, Historische statistieken, Serie 1029-1036. Voor eerdere gegevens zijn in Aldrich, Veiligheid eerst, Bijlage 1-3.

3 Hounshell, Amerikaans systeem. Rosenberg, Technologie,. Aldrich, Veiligheid eerst.

4 Zie voor de werking van het werkgeversaansprakelijkheidssysteem Fishback en Kantor, Een voorspel, Hoofdstuk 2

5 Dix, Werkrelaties, en zijn Wat moet een mijnwerker doen?? Wallace, Saint Clair, is een uitstekende bespreking van de vroege mijnbouw en veiligheid van antraciet. Lang, waar de zon, Visrug, Zachte kolen, hoofdstukken 1, 2 en 7. Humphrey, “Historische samenvatting.” Aldrich, Veiligheid eerst, Hoofdstuk 2.

6 Aldrich, Veiligheid eerst hoofdstuk 1.

7 Aldrich, Veiligheid eerst Hoofdstuk 3

8 Fishback en Kantor, Een voorspel, hoofdstuk 3, bespreekt hogere lonen voor risicovolle banen, evenals spaar- en ongevallenverzekeringen voor werknemers. Zie ook Whaples en Buffum, “Fraternalism, Paternalism.” Aldrich, ” Train Wrecks to Typhoid Fever.”

9 Kirkland, Mannen, Steden. Trachenberg, De geschiedenis van de wetgeving Witte kant, Gevaar reguleren. Een vroege bespreking van fabriekswetgeving staat in Susan Kingsbury, ed.,xxxx. Rogers,” Van Common Law.”

10 Over de evolutie van de goederenwagentechnologie zie White, Amerikaanse spoorwegvrachtwagen, Usselman “Air Remmen voor goederentreinen,” en Aldrich, Veiligheid eerst, hoofdstuk 1. Shaw, Neerwaartse remmen, bespreekt oorzaken van treinongevallen.

11 Details van deze voorschriften zijn te vinden in Aldrich, Safety First, hoofdstuk 5.

12 Graebner, Veiligheid kolenmijnen, Aldrich, “‘Het onnodige gevaar.”

13 Over de oorsprong van deze wetten zie Fishback en Kantor, Een voorspelen de daarin aangehaalde bronnen.

14 Voor beoordelingen van de impact van wetten op vervroegde compensatie, zie Aldrich, Veiligheid eerst, hoofdstuk 5 en Fishback en Kantor, Een voorspel, hoofdstuk 3. Compensatie in de moderne economie wordt besproken in Worrall, Veiligheid en de beroepsbevolking. Overheids- en ander wetenschappelijk werk dat de veiligheid op spoorwegen en in de mijnbouw bevorderde, wordt besproken in Aldrich, “‘The Needless Peril’,” en “The Broken Rail.”

15 Farris, “Van uitgang naar stem.”

16 Aldrich, “‘Noodloos gevaar,” en Humphrey

17 Derickson, “Participative Regulation” en Fairris, “Institutional Change,” benadrukken ook de rol van vakbonds- en werkvloerkwesties bij het vormgeven van veiligheid gedurende deze jaren. Veel van de moderne literatuur over veiligheid is zeer kwantitatief. Voor leesbare discussies zie Mendeloff, Veiligheid reguleren (Cambridge: MIT Press, 1979), en


Het doel van het spel

Het andere team moet proberen te voorkomen dat de bal stuitert alvorens de bal terug te spelen. De spellen worden gespeeld in de beste van 3 of 5 sets, en het team met de meeste sets aan het einde van het spel wint.

In Volleybal regels en voorschriften, heeft elk team 6 spelers tegelijkertijd op het veld. Wissels kunnen gedurende het hele spel worden gebruikt. Er zijn geen professionele gemengde genderbands.

Elke speler neemt een positie in in de aanvalszone (naast de grid) of in de defensieve zone (achter het veld). Drie spelers bevinden zich in elke zone en draaien na elk punt met de klok mee.

De grond heeft een rechthoekige vorm en heeft afmetingen van 18m x 9m. Door het veld loopt een net met een hoogte van 2,43 m. De bal met een diameter van 8 inch en een massa tussen 9 en 10 ounces.

Rond de omtrek van het veld is er een gebied buiten het veld, en als de bal in deze secties zou worden weerspiegeld, dan zou het punt worden toegekend aan het andere team.

Elk team krijgt maximaal twee tijdslimieten per set van elk 30 seconden. Na elke set wordt het aantal time-outoverschrijdingen teruggebracht tot twee, ongeacht hoeveel er eerder zijn gebruikt.


Stokken, clubs en vleermuizen

Alexander Rutherford wordt gecrediteerd met de oprichting van de eerste hockeystick, gesneden in 1852 in de buurt van de stad Lindsay, Ontario. Sticks hadden oorspronkelijk platte bladen, maar tussen 1957 en 1980 kwamen gebogen bladen vaker voor.

Vóór de 16e eeuw maakten golfers vaak zelf hun eigen clubs, meestal van hout. Koning James IV van Engeland liet William Mayne een set clubs voor hem maken, aangezien Mayne's clubs waren ontworpen voor langere slagen, medium slagen en slagen dicht bij de hole. Dit is de oorsprong van de golfclubset, volgens de website van GolfClubRevue. In de jaren 1800 werd het gemakkelijker om ijzeren clubs te maken omdat ze in massa konden worden geproduceerd. Tegenwoordig beschikken golfclubs over technologisch geavanceerde drivers, ijzers en putters.

Vroege honkbalknuppels waren behoorlijk zwaar en hadden een dikker handvat dan de vleermuizen die tegenwoordig worden gebruikt. In 1865 werd overeengekomen dat vleermuizen gemaakt moesten worden van essen of hickory. Drie jaar later werden voorschriften ingevoerd dat een vleermuis niet langer dan 42 inch mocht zijn. De maximale dikte van de vleermuis, 2 en 3/4 inch, werd in 1895 bepaald en is vandaag de dag nog steeds de regel in de MLB.


100 jaar geschiedenis van ademhalingsbescherming

In 1919 startte het Amerikaanse Bureau of Mines (USBM) het eerste certificeringsprogramma voor ademhalingstoestellen. Enkele maanden later, op 15 januari 1920, keurde deze federale instantie het eerste beademingsapparaat goed. Om de belangrijke mijlpalen van de afgelopen 100 jaar te erkennen, documenteert deze webpagina een algemeen historisch overzicht van onderzoek naar ademhalingsbescherming en de evolutie van het certificeringsprogramma zoals uitgevoerd door de Amerikaanse federale overheid.

Geschiedenis van de ademhalingsbescherming vóór de 19e eeuw

Plinius de Oudere, foto met dank aan Shutterstock

Over de hele wereld erkenden wetenschappelijke geesten de noodzaak van ademhalingsbescherming lang voor het Amerikaanse Bureau of Mines. De geschiedenis van ademhalingsbescherming gaat terug tot Plinius de Oudere (23-79 n.Chr.), een Romeinse filosoof en natuuronderzoeker, die gebruik maakte van losse huiden van dierenblaasjes om stof te filteren zodat het niet kon worden ingeademd terwijl cinnaber, een giftig, kwikhoudend sulfidemineraal dat destijds werd gebruikt voor pigmentatie in decoraties. Many centuries later, Leonardo da Vinci (1452-1519) recommended the use of wet cloths over the mouth and nose as a form of protection against inhaling harmful agents (Spelce et al., &ldquoHistory,&rdquo 2018 Cohen and Birkner, 2012).

Further scientific inquiry and discovery led to the use of early atmosphere-supplying respirators. While ancient divers used hoses and tubes for supplied air, seventeenth century scientists added bellows to these devices as a way of providing positive pressure breathing. Although science has made advancements over time, the need for proper respiratory protection became increasingly apparent. In the 1700s, Bernadino Ramazzini, known as the father of occupational medicine, described the inadequacy of respiratory protection against the hazards of arsenic, gypsum, lime, tobacco, and silica (Spelce et al., &ldquoHistory,&rdquo 2018 Cohen and Birkner, 2012).

While these scientific discoveries and advancements to respiratory protection were pivotal, the most important date for respiratory protection was still to come.

Nealy Smoke Mask from The National Fireman's Journal December 8, 1877

The 18 th and 19 th centuries achieved the development of what we would recognize today as respirators, far surpassing the use of animal bladders and wet cloths. In 1827, the Scottish botanist Robert Brown discovered the phenomenon known as the Brownian movement &ndash the theory that collisions of rapidly moving gas molecules causes the random bouncing motion of extremely small particles. Understanding the behavior of small particles, the properties of filter media and their interactions led to the first particulate respirator. In the mid-1800s, German scientists conducted studies with industrial dust and bacteria and their relationship with respiratory health. In 1877, the English invented and patented the Nealy Smoke Mask. The Nealy Smoke Mask used a series of water-saturated sponges and a bag of water attached to a neck strap. The wearer could squeeze the bag of water to re-saturate the sponges to filter out some of the smoke. (Coffey, 2016 Cohen and Birkner, 2012 Kloos, 1963).

On July 1, 1910, the U.S. Department of the Interior established the United States Bureau of Mines (USBM). The USBM worked to address the high fatality rate of mineworkers. In 1919, the USBM initiated the first respirator certification program in the United States. In 1920, MSA Safety Company manufactured the Gibbs respirator. This closed-circuit self-contained breathing apparatus (SCBA) operated on compressed oxygen and a soda lime scrubber to remove carbon dioxide. (Spelce et al., 2017). According to MSA Safety Company, industries, fire departments, and health departments were the first to utilize the Gibbs Breathing Apparatus (WebApps.MSANet.com). The U.S. Navy requested a respirator comparable to those used for emergency escape purposes for mineworkers, leading to the invention of the Gibbs breathing apparatus, named for United States Bureau of Mines engineer and inventor W.E. Gibbs. Gibbs also created a respirator specifically for aviators (Spelce, et al., 2017).

World War I presented a new kind of threat to soldiers &ndash chemical warfare gases, such as chlorine, phosgene, and mustard gas. The U.S. War Department asked the USBM to develop gas mask standards. Military equipment at the time did not account for protective masks or respirators. Combat equipment did not include respirators until World War II (Caretti, 2018). As a result, chemical warfare in WWI accounted for 1.3 million casualties and approximately 90,000 fatalities. This amounted to about 30% of all casualties during the war (Fitzgerald, 2008).

World War I respiratory protection, photo courtesy of Shutterstock

Additionally, WWI troops from all over the world helped a new influenza virus spread. The lack of vaccines and respiratory protection contributed to high fatalities from the flu virus. The U.S. reported the first flu symptoms in March 1918. In October of 1918 alone, the flu virus killed 195,000 Americans resulting in the San Francisco Board of Health recommending the use of masks in public spaces. The pandemic flu began to decline in early 1919. The flu caused approximately 50 million deaths across the world, including 675,000 in the United States (&ldquo1918 Pandemic,&rdquo 2018). The spread of the pandemic flu at this time displayed the need of additional respiratory protection and research needed in healthcare settings.

While the flu pandemic exhibited a need for healthcare respiratory protection, researchers at the time still largely focused on the respiratory protection of mining. On March 5, 1919, the USBM produced Schedule 13, &ldquoProcedure for Establishing a List of Permissible Self-Contained Oxygen Breathing Apparatus.&rdquo Schedule 13 set the first set of regulations for human testing of protection of self-contained breath apparatus respirators and certification thereof (Kyriazi, 1999). Finally, on January 15, 1920 the USBM certified the first respirator, the Gibbs breathing apparatus. (Spelce et al., &ldquoHistory,&rdquo 2018 Cohen and Birkner, 2012). The Gibbs breathing apparatus, originally designed for mine work, became the first approved respirator for industrial work. (Spelce, et al., 2017).

Gibb&rsquos Breathing Apparatus

During World War I, the U.S. government sought improvements for respiratory protection across several industries as well as the military. The passing of the Overman Act of May 20, 1918 by President Wilson gave authority for the Army to lead the research efforts in respiratory protection in order to engage in chemical warfare and defense. However, this delegation of research power was short-lived, and the USBM regained the primary task of mine safety research. (Spelce, et al., 2017).

The USBM developed Schedule 14 shortly after for the certification of military-use gas masks. Over time, the USBM altered Schedule 14, &ldquoProcedure for Establishing a List of Permissible Gas Masks,&rdquo several times. Initial modifications to it included acknowledgement of the 1941 USBM &ldquoFacepiece Tightness Test&rdquo which tested the detectable leakages and freedom of movement of the user (Spelce, et al., &ldquoHistory&rdquo (Cont.), 2018).

Because of the horrific casualties of WWI from chemical warfare, armed forces on both sides of the battlefield refrained from using chemical agents during WWII. Both sides shared the paranoia that the enemy had more harmful chemical warfare agents (Chauhan, 2008). As the world entered World War II, the U.S. Navy&rsquos use of asbestos increased for insulation purposes for pipes in naval vessels. It was not until 1939 that a Medical Officer for the U.S. Navy recognized the need for crew to wear respirators when cutting and wetting amosite and other asbestos containing insulation. Later, as the U.S. entered World War II, Fleischer et al. released a study acknowledging the dangers and risks of dust exposures in asbestos insulation manufacturing. However, even after the publication of the Fleischer et al. study in 1946, the U.S. Navy continued to use asbestos with the additional warning that &ldquoexposure to asbestos dust is a hazard which cannot be overlooked in maintaining an effective occupational-hygiene program.&rdquo The Navy continued to recommend confinement of pipe covering operations, and the use of respirators and ventilation (Barlow et al., 2017).

1930s Mask, photo courtesy of Caretti

In the early 1930s, the Hawk&rsquos Nest Tunnel disaster occurred in West Virginia. The estimated death toll, one of the worst in American industrial history, ranges from roughly 700-1,000 deaths of the 3,000 who worked underground. The tragedy of this disaster expedited the publication of the USBM&rsquos first approval of dust/fume/mist respirator approval standards in 30 CFR Part 14, Schedule 21 (USBM 1934). &ldquoThe USBM had already developed standards for and approved oxygen breathing apparatus (1919), gas mask respirators (1919), and hose mask respirators (1927). By 1937, the Bureau expanded its schedule for testing hose masks to include a variety of supplied-air respirators including Type CE abrasive blasting respirator&rdquo (Spelce, et al., 2019). Schedule 21 describes several types of respirators, including Type A, B, C, combinations of A-C, and D (Spelce, et al., 2019). The original Schedule 21 from 1934 included the following requirements:

  • Exhalation valves were required, and inhalation valves were optional
  • Added Pressure-Tightness Tests to assess the fitting characteristics of the respirator
  • Revised the Direct Leakage and Man Test (coal dust test) by eliminating work exercises
  • The high concentration silica dust defined the test period as one 90-minute test, not three 30-minute test periods
  • Eliminated the low concentration Silica Dust Test
  • Water Silica Mist and Chromic Acid Mist Tests defined the sampling period after 156 minutes and after 312 minutes, respectively
  • Added a Lead Dust Test
  • Eliminated the Lead Paint Test

Revisions to Schedule 21 expanded in 1955 under 30 CFR 14 to include the approval respirators with single use filters and reusable filters. Among these, there are two classes of respirators, including approval for protection against Pneumoconiosis and approval against dust that were not more toxic than lead. These approvals expanded to also included protection against lead fumes, silica, and chromic acid mists (Spelce, et al., 2019).

The USBM began to set stricter regulations on respirators during WWII. It established &ldquocertain basic requirements applicable to all types of respiratory equipment. These requirements are as follows: (1) They must give adequate protection (2) they must be reasonably comfortable and physically convenient to wear (3) they must provide an acceptable period of protection and (4) they must be constructed of durable materials. (IC 7130, August 1940, page 5)&rdquo (Spelce et al., 2018 D&rsquoAlessandro, 2018). The regulation of respiratory protection permitted the standardization of higher quality respiratory protection.

After WWII and the use of chemical gas in warfare, researchers continued their work on improving respiratory protection for soldiers. The events of World War II and the boom of industry on the home front exhibited a need for improved respiratory protection in industry. Americans on the home front went to work on the production lines to aid the war effort, ushering in a booming era of industry and manufacturing. However, those workers inhaled high amounts of asbestos due to poorly regulated working conditions. Early accounts from turn of the century industrial hygienists documented the dangers of airborne asbestos in working environments, but it was not until the mid-1950s that prolonged exposure to asbestos caused widespread concern. Research efforts still did not fully serve this need until even later, in the 1960s and 1970s. &ldquoWith the introduction of the membrane filter sampling method in the late 1960s and early 1970s, asbestos sampling and exposure assessment capabilities advanced to a degree which allowed industrial hygienists to more precisely characterize the exposure&ndashresponse relationship&rdquo (Barlow et al., 2017).

Non-combatant mask, circa 1940, photo courtesy of Caretti

Researchers performed tests on respirators to measure protection, but their levels of protection were unregulated. There was not yet a system in place to set a threshold standard of protection nor any regulatory body in the manufacturing of respirators. The respirators used in different settings, such as in construction or commercial farming, lacked regulation to ensure necessary protection against the airborne hazards in these types of settings.

Further, Schedule 21B in 1965 expanded. These changes include (1) extend certification of approval to respirators designed to protect against dusts, fumes, and mists that are significantly more toxic than lead (2) permit certification of combinations of dispersoid-filter and other types of respirators (3) revise current tests to realize accuracy and speed of testing and (4) revise the fees for inspection and testing (USBM, 1964) (Spelce, et al., 2019). This provided further regulation and protection for industrial workers&rsquo respiratory health.

&ldquoThe use of respirators continued unregulated until the Federal Coal Mine Health and Safety Act was enacted in 1969, resulting in regulations governing the certification and use of respirators in the mining industry. The Occupational Safety and Health Act, which established the Occupational Safety and Health Administration (OSHA) and the National Institute of Occupational Safety and Health (NIOSH), was promulgated in 1970&rdquo (Cohen and Birkner, 2012).

According to the Occupational Safety and Health Act of 1970, &ldquoThe Congress finds that personal injuries and illnesses arising out of work situations impose a substantial burden upon, and are a hindrance to, interstate commerce in terms of lost production, wage loss, medical expenses, and disability compensation payments&rdquo (91 st Congress, 1970). Further, the OSH Act of 1970 acknowledges a need for regulation in the safety and health of working citizens to preserve &ldquohuman resources.&rdquo The document sets standards for work places to maintain as well as formulate a regulatory body to oversee the adherence to these standards. The OSH Act not only sets standards to protect workers from physical injury and disease, but also acknowledges the necessity to protect workers from psychological harm in the workplace, such as anxiety linked to physical injury risk at work.

The OSH Act also established the National Institute for Occupational Safety and Health (NIOSH) as a research body focused on the health, safety, and empowerment of workers to create safe and healthy workplaces (NIOSH, &ldquoAbout&rdquo). OSHA and NIOSH continue to be important organizations that assist in safety recommendation and regulation in the workplace, in the area of respiratory protection as well as other areas of personal protective equipment.

&ldquoCongress created the Occupational Safety and Health Administration (OSHA) in 1970, and gave it the responsibility for promulgating standards to protect the health and safety of American workers. On February 9, 1979, 29 CFR 1910.134 gained recognition as applicable to the construction industry (44 FR 8577). Until the adoption of these standards by OSHA, most guidance on respiratory protective devices use in hazardous environments was advisory rather than mandatory&rdquo (Department of Labor, 1998). OSHA reprinted, without change of text, 29 CFR Part 1926 with the General Industry Occupational Safety and Health Standards in 29 CFR part 1910. This has since become a set of OSHA regulations (&ldquoEditorial Note,&rdquo 1978).

In 1994, the U.S. Centers for Disease Control and Prevention (CDC) released a Wekelijks rapport over morbiditeit en sterfte entitled &ldquoGuidelines for Preventing the Transmission of Mycobacterium tuberculosis in Health-Care Facilities, 1994.&rdquo This document revises the 1990 tuberculosis (TB) guidelines in response to an outbreak in 1991 and studies from 1985 that show a multi-drug resistance to the bacterium that causes TB. These guidelines emphasize importance of healthcare professionals&rsquo proper use of personal protective equipment (PPE), specifically respiratory protection. Areas of emphasis for respiratory protection include ventilation, donning, use, and doffing. Finally, the guidelines address the need to maintain a full respiratory protection program within healthcare settings, ensuring all healthcare workers train in proper PPE use. This is of particular importance for healthcare workers that move from department to department, such as therapists, dieticians, maintenance, interns, etc.

As respiratory protection became mandatory, the importance of a tight and proper respirator fit increased. In 1995, OSHA revised the certification regulations for fit testing. This led to further research in 1996 regarding exposure in the workplace, causing researchers to use simulated workplace protection factors and exposure simulations (Cohen and Birkner, 2012 Department of Labor, 1998).

&ldquoOn 10 July 1995, the respirator certification regulation, 30 CFR 11, was replaced by 42 CFR 84 (NIOSH, 1995). The primary regulatory changes introduced by 42 CFR 84 are associated with a new approval concept, performance requirements for particulate respirator filters, and instrumentation technology. 42 CFR 84 updated filter requirements and tests to provide an assessment of the effectiveness of the filter based upon its efficiency to remove particulates of the most penetrating size from the ambient air regardless of the particulate composition and toxicity (NIOSH, 1994). The approval philosophy for filters changed from minimum requirements considered safe to breathe for various types of dust/fume/mist respirators to acceptable filter efficiency levels against laboratory generated aerosols with particles of the most penetrating size&rdquo (Spelce, et al., 2019).

The OSHA respiratory protection standard, 29 CFR 1910.134, published on January 8, 1998, replaced the agency&rsquos original standard promulgated in 1972. The rule standardized regulations for respirator use in all industries, including maritime, construction, and general industry. However, this did not include updates for the respiratory protection of the healthcare industry, which at this time still functioned under 29 CFR 1910.134 regulations. While this new development did not include the use of respirators in the healthcare setting, it did effectively progress industry, manufacturing, and construction towards a more healthy and safe work environment.

The necessity for respiratory protection in the healthcare setting came to the forefront of concern with the outbreak of tuberculosis in the 1990s. Volgens de TB Respiratory Protection Program in Health Care Facilities: Administrator&rsquos Guide, &ldquoThe use of respirators in the health care setting is a relatively new but important step forward in the efforts to prevent the transmission of tuberculosis (TB). Air-purifying respirators provide a barrier to prevent health care workers from inhaling Mycobacterium tuberculosis. The level of protection a respirator provides is determined by the efficiency of the filter material and how well the facepiece fits or seals to the health care worker&rsquos face. A number of studies have shown that surgical masks will not provide adequate protection in filtering out the TB organism. Additionally, surgical masks are not respirators and therefore, are not NIOSH-certified and do not satisfy OSHA requirements for respiratory protection&rdquo(1999).

In 2001, Congress requested the creation of a division within NIOSH to focus on the improvement and research of PPE and personal protective technologies (PPT). This division, the National Personal Protective Technology Laboratory (NPPTL) conducts scientific research, develops guidance and authoritative recommendations, disseminates information, and responds to requests for workplace health hazard evaluations.

The focus for respiratory protection research shifted drastically in the early 2000s when national tragedy struck. On September 11, 2001, terrorist attacks in New York City, Shanksville, PA, and Washington D.C. led to first responders in these cities, as well as nationally, to jump into action. The employees of NIOSH NPPTL also mobilized. According to NIOSH NPPTL employee Robert Stein,

&ldquoIf anyone ever doubted the potential for impact on a vast scale, those doubts should have been firmly dispelled the morning of September 11, 2001. I was sitting at my desk that was in building 02 at the time when I got a phone call from one of my colleagues who was off site that day. He said, &ldquoThey are flying planes into the World Trade Center.&rdquo I had already heard the news that an airplane had hit one of the World Trade Center towers, but his was the first voice to identify and call it out as an intentional act. Things started to develop rapidly after that. The personnel at the newly formed lab gathered to develop response plans. Response planning quickly evolved into planning for communication contingencies as we got word that government sites would be evacuated. Obedient to the directions to leave the work site, several of us mustered at the nearby home of one of our colleagues to finish up with our what-if&rsquos and how-to-get-in-touch-with&rsquos. It was an eerie ride home, very confusing to the senses travelling under the beautiful blue skies of a perfect late summer day, but with such serious and unknown threats seemingly looming everywhere.

Even while there was still a ban on commercial flights, NPPTL sent two individuals to the World Trade Center site to help with respiratory protection issues as they were occurring. Not only were they able to provide immediate assistance at the World Trade Center site, but the first-hand experience they gained observing the difficulties encountered trying to provide respiratory protection to such a large number of first responders, recovery workers, law enforcement personnel, and other workers involved in the response helped to shape technical and policy decisions for months and years afterwards. The entire lab dedicated long hours in order to complete new statements of standard for respirator types with protections appropriate to protect first-responders involved in terrorist incidents, and then approve respirators so those new standards would actually result in providing appropriate respiratory protection for those workers.&rdquo

Following the terrorist attacks on September 11, 2001, the PPE used by first responders became a top priority for NIOSH, as it emphasized the PPE needed to protect those risking their own lives in order to save lives. In the weeks after September 11, the New York City Fire Department&rsquos Bureau of Health Services (FDNY-BHS) and NIOSH launched a collaborative study. This study researched the effectiveness of personal protective equipment, including respiratory protection, and the occupational hazards and exposures of these first responders. The results indicated that many firefighters did not use adequate respiratory protection during the first week of the rescue/recovery operation (MMWR, 2002).

First Responders using inconsistent respiratory protection practices, photo courtesy of Shutterstock

A study researched seven first responders to the attacks in New York on September 11 and their exposure to the dust at Ground Zero on September 11 or September 12. All were non-smokers or had only smoked in their distant past. The results of the study showed that all seven first responders developed some form of lung disease after their exposure to the dust at Ground Zero (Wu, et al., 2010).

Research suggests the rate of respiratory illness was so high due to a lack in use of respiratory protection. According to firsthand accounts by P.J. Lioy and M. Gochfeld in their 2002 article &ldquoLessons Learned on Environmental, Occupational, and Residential Exposures from the Attack on the World Trade Center,&rdquo an alarmingly low number of individuals were using respiratory protection in the field at Ground Zero, and many that had respiratory protection were not wearing it (Crane et al., 2012).

The work to improve respiratory protection and subsequent guidance on use of respiratory protection has continued well after 2001. In 2005, NIOSH released its &ldquoInterim Guidance on the Use of Chemical, Biological, Radiological, and Nuclear (CBRN) Full Facepiece, Air-Purifying Respirators/Gas Masks Certified under 42 CFR Part 84.&rdquo According to NIOSH NPPTL employee, Jeff Peterson, &ldquoI would certainly say that one of the biggest accomplishments in the field of respiratory protection is the development of the voluntary NIOSH CBRN requirements.&rdquo

The CBRN requirements answered the need of emergency responders to maintain knowledge of PPE in a time of increased global terrorism. This interim guidance document provided guidelines for the selection and use of NIOSH-approved full facepiece, tight fitting, non-powered, air-purifying respirators (APR) for protection against quantified CBRN agents.

Following September of 2001, NIOSH and The RAND Corporation developed multiple volume reports dedicated to protecting emergency responders (Szalajda, 2008). NIOSH also developed three CBRN standards. The first requires that self-contained breathing apparatus (SCBA) meet CBRN protection standards because it &ldquois used where the respiratory threat level is unknown or known to be immediately dangerous to life and health (IDLH)&rdquo (Szalajda, 2008).

Secondly, NIOSH developed a standard for a full-facepiece, air-purifying respirator. &ldquoThe CBRN APR full-facepiece respirator is widely used by multiple responder groups. It provides a lower level of protection than the SCBA and its use is generally allowed once conditions are understood and exposures are determined to be at levels below those considered to be IDLH&rdquo (Szalajda, 2008).

The third priority was that air-purifying and self-contained escape respirators meet CBRN standards. This enabled a more general workforce, rather than those solely focused on first responders, to use PPE safely in a CBRN terrorist incident. As addressed by Deputy Director Jon Szalajda, NIOSH NPPTL &ldquocontinues to develop criteria for additional types of respirators in response to responders&rsquo needs for appropriate respiratory protection against the anticipated hazards faced in performing rescue and recovery operations resulting from viable terrorist threats, as well as HAZMAT incidents&rdquo (Szalajda, 2008).

Nurse demonstrating the donning of PPE worn by healthcare providers when treating an Ebola patient in a medical intensive care unit (ICU), photo courtesy of the CDC

In 2015, the American National Standard Institute (ANSI) standard Z88.2 updated the standard practice for respiratory protection. The Z88 Committee established the standard in 1969, with revisions in 1989 and 1992. The Z88.2 standard &ldquosets forth minimally accepted practices for occupational respirator use provides information and guidance on the proper selection, use and maintenance of respirators, and contains requirements for establishing, implementing and evaluating respirator programs. The standard covers the use of respirators to protect persons against the inhalation of harmful air contaminants and against oxygen-deficient atmospheres in the workplace&rdquo (ANZ88.2-2015, 1.1).

From 2014-2016, a global epidemic of the Ebola virus disease spread to the United States. During this time, proper PPE use in healthcare settings became a paramount concern, as the highly contagious virus spreads from contact with blood and other bodily fluids. Because of the virus&rsquo highly contagious nature, the CDC recommended the use of a NIOSH-approved N95 respirator, or higher level of particulate filtration, or a powered air-purifying (PAPR) when caring for a Person Under Investigation (PUI) for the Ebola virus disease or a person with a confirmed case of the virus. Further, the CDC released guidelines for the disposal, cleaning, and disinfection based on the type of respirator worn by a healthcare worker when treating an Ebola patient. (Frequently Asked Questions, Ebola, 2018).

In 2019, &ldquoNIOSH NPPTL continues to provide national and world leadership in respirator approval, research, and standards development to support the workers who rely on respiratory protection,&rdquo states NPPTL Director, Dr. Maryann D&rsquoAlessandro. Such research includes understanding respirator comfort, fit, and usability stockpiling of respirators and rapid respiratory protection training in healthcare settings.


Voetnoten

1. &thinspSee generally Nighttime Glare and Driving Performance, Report to Congress, p. ii (2007), National Highway Traffic Safety Administration, Department of Transportation [hereinafter &ldquo2007 Report to Congress&rdquo].

2. &thinsp2007 Report to Congress, pp. iv, 11-14. See also, e.g., John D. Bullough et al. 2003. An Investigation of Headlamp Glare: Intensity, Spectrum and Size, DOT HS 809 672. Washington, DC: U.S. Department of Transportation, National Highway Traffic Safety Administration [hereinafter &ldquoInvestigation of Headlamp Glare&rdquo], p. 1 (&ldquoIt is almost always the case that headlamp glare reduces visual performance under driving conditions relative to the level of performance achievable without glare.&rdquo).

3. &thinspJohn D. Bullough et al. 2008. Nighttime Glare and Driving Performance: Research Findings, DOT HS 811 043. Washington, DC: U.S. Department of Transportation, National Highway Traffic Safety Administration, p. I-4.

4. &thinspId., P. 33. But see Investigation of Headlamp Glare, p. 3 (&ldquoVery few studies have probed the interactions between discomfort and disability glare, or indeed any driving-performance related factors . . . .&rdquo).

5. &thinsp2007 Report to Congress, p. NS.

8. &thinspThe upper beam photometric requirements are set out in Table XVIII the lower beam photometric requirements are set out in Table XIX.

9. &thinspThe Society of Automotive Engineers (now SAE International). SAE is an organization that develops technical standards based on best practices.

10. &thinspZien 54 FR 20066 (May 9, 1989) (explaining history of photometric requirements).

11. &thinsp43 FR 32416 (July 27, 1978).

12. &thinsp58 FR 3856 (Jan. 12, 1993).

13. &thinsp50 FR 42735 (Oct. 22, 1985) (Request for Comments).

14. &thinsp52 FR 30393 (Aug. 14, 1987) (Request for Comments).

15. &thinsp54 FR 20084 (May 9, 1989).

16. &thinspSee generally 66 FR 49594, 49596 (Sept. 28, 2001).

20. &thinspSafe, Accountable, Flexible, Efficient Transportation Equity Act: A Legacy for Users, Public Law 109-59, Sec. 2015 (2005).

21. &thinspPerel & Singh. 2004. Drivers' Perceptions of Headlamp Glare from Oncoming and Following Vehicles, DOT HS 809 669. Washington, DC: National Highway Traffic Safety Administration.

22. &thinsp68 FR 7101 (Feb. 12, 2003) 70 FR 40974 (July 15, 2005) (withdrawn).

24. &thinspSee generally Summary of Headlamp Research at NHTSA, DOT HS 811 006. Washington, DC: National Highway Traffic Safety Administration (2008).

25. &thinspMichael J. Flannagan & John M. Sullivan. 2011. Feasibility of New Approaches for the Regulation of Motor Vehicle Lighting Performance. Washington, DC: National Highway Traffic Safety Administration. Zie ook 77 FR 40843 (July 11, 2012) (request for comments on the report).

26. &thinspElizabeth Mazzae, G.H. Scott Baldwin, Adam Andrella, & Larry A. Smith. 2015. Adaptive Driving Beam Headlighting System Glare Assessment, DOT HS 812 174. Washington, DC: National Highway Traffic Safety Administration.

27. &thinspSAE J3069 JUN2016, Sec. 3.1.

28. &thinspSAE J3069JUN 2016, pp. 1-2.

30. &thinspJohn D. Bullough, Nicholas P. Skinner, Yukio Akashi, & John Van Derlofske. 2008. Investigation of Safety-Based Advanced Forward-Lighting Concepts to Reduce Glare, DOT HS 811 033. Washington, DC: National Highway Traffic Safety Administration, p. 63. See also, e.g., Mary Lynn Mefford, Michael J. Flannagan & Scott E. Bogard. 2006. Real-World Use of High-Beam Headlamps, UMTRI-2006-11. University of Michigan, Transportation Research Institute, p. 6 (finding that &ldquohigh-beam headlamp use is low . . . consistent with previous studies that used different methods&rdquo).

31. &thinspInvestigation of Safety-Based Advanced Forward-Lighting Concepts to Reduce Glare, DOT HS 811 033, p. 63.

32. &thinspMichael J. Flannagan & John M. Sullivan. 2011. Preliminary Assessment of The Potential Benefits of Adaptive Driving Beams, UMTRI-2011-37. University of Michigan, Transportation Research Institute, p. 2.

33. &thinsp2007 Report to Congress, p. 6. A recent study by the Insurance Institute for Highway Safety noted that &ldquo[t]wenty-nine percent of all fatalities during 2014 occurred in the dark on unlit roads. Although factors such as alcohol impairment and fatigue contributed to many of these crashes, poor visibility likely also played a role.&rdquo Ian J. Reagan, Matthew L. Brumbelow & Michael J. Flannagan. 2016. The Effects of Rurality, Proximity of Other Traffic, and Roadway Curvature on High Beam Headlamp Use Rates. Insurance Institute for Highway Safety, pp. 2-3 (citations omitted). Zie ook Feasibility Study, p. 5 (&ldquoThe conclusion of our analysis was that pedestrian crashes were by far the most prevalent type of crash that could in principle be addressed by headlighting.&rdquo). See Appendix A for an analysis that roughly estimates the target population that could benefit from ADB technology.

34. &thinspLetter from Thomas Zorn, Volkswagen Group of America to Dr. Mark Rosekind, Administrator, NHTSA, Petition for Temporary Exemption from FMVSS 108 (October 10, 2016), pp. 1, 7.

35. &thinspSee, e.g., SAE J3069 (&ldquoHowever, in the United States it is unclear how ADB would be treated under the current Federal Motor Vehicle Safety Standard (FMVSS) 108.&rdquo).

36. &thinspLetter from Tom Stricker, Toyota Motor North America, Inc. to David Strickland (Mar. 29, 2013).

37. &thinspRegulation 48 defines AFS as &ldquoa lighting device type-approved according to Regulation No. 123, providing beams with differing characteristics for automatic adaptation to varying conditions of use of the dipped-beam (passing-beam) and, if it applies, the main-beam (driving-beam).&rdquo

38. &thinspZien Annex 12 to ECE R48.

39. &thinspMore specifically, they regulate glare that comes directly from the headlamps (as opposed to headlamp glare that reflects off of, say, the road surface).

40. &thinsp1U, 1.5L to L (700 cd maximum) 0.5U, 1.5L to L (1,000 cd maximum).

41. &thinsp1.5U, 1R to R (1,400 cd maximum) 0.5U, 1R to 3R (2,700 cd maximum).

42. &thinspCandela is a unit of measurement of luminous intensity. Candela is a measure of the amount of light coming from a source per unit solid angle.

43. &thinspIlluminance is the amount of light falling on a surface. The unit of measurement for illuminance is lux. Lux is a unit measurement of illuminance describing the amount of light falling on a surface, whereas candela is a measure of the luminous intensity produced by a light source in a particular direction per solid angle. A measure of luminous intensity in candela can be converted to a lux equivalent, given a specified distance.

44. &thinspA photometer, or illuminance meter, is an instrument that measures light.

45. &thinspThe motorcycle was not fitted with photometers because of time constraints and equipment availability. Illuminance receptors were located on a vehicle positioned adjacent to the motorcycle this vehicle's lamps remained off to ensure that the ADB-equipped vehicle was responding only to the motorcycle's lamps.


Bekijk de video: Teke-teke SUB ENGLISH -Part 1. Sakura School simulator (Juni- 2022).


Opmerkingen:

  1. Efrayim

    Je vergist je. Schrijf me in PM, we zullen communiceren.

  2. Tanton

    Ik denk dat je je vergist. Ik kan de positie verdedigen. Schrijf me in PM, we zullen praten.

  3. Heretoga

    oh .. geen goochelaar meer))))

  4. Vikazahn

    Volgens mij heb je het mis. Ik ben er zeker van. Laten we bespreken. Mail me op PM, dan praten we verder.

  5. Goltizshura

    I think it is the serious mistake.



Schrijf een bericht