Geschiedenis Podcasts

Krater van Mithridates Eupator

Krater van Mithridates Eupator


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.


Mithridaat, universeel tegengif of de ultieme hoax?

Mithridaat was een van de meest complexe en gewilde preparaten tijdens de middeleeuwen en de renaissance. Deze ietwat mythische, oude tonic die meer dan 60 ingrediënten bevatte, werd eeuwenlang gebruikt, vooral in Italië en Frankrijk als tegengif. Petrus Andreas Matthiolus, natuuronderzoeker en lijfarts van verschillende Europese vorsten, beschouwde het als effectiever tegen vergiften dan stroop uit Venetië - en gemakkelijker te maken! De term verwijst nu naar elk universeel tegengif voor gif.

Deze verbazingwekkende remedie is niet uitgevonden door een arts, maar door Mithridates VI Eupator Dionysus, ook bekend als Mithridates de Grote, die werd geboren in 135 voor Christus en koning van Pontus tot 63 voor Christus.

Mithridates was een prins van Perzische en Griekse afkomst. Hij beweerde afstamming van vele gerespecteerde krijgers - Cyrus de Grote, de familie van Darius de Grote, evenals Alexander de Grote. Hij is de grootste heerser van het koninkrijk Pontus genoemd. Onder zijn leiding breidde Pontus zich uit om verschillende van zijn kleine buren op te nemen en hij betwistte kort de controle van Rome in Klein-Azië.


Eerste mithridatische oorlog en de rol van Lucius Cornelius Sulla in Rome (89-87 v.Chr.)

Mithridates VI Eupator – Koning van Pontus (120 -63BC).

Zijn vader was Mithridates V die de oorsprong van de Achaemeniden leidde, en de oorsprong van zijn moeder was een Seleucid. Mithridates VI was energiek en zeer capabel. Hij had een enorme fysieke kracht, maar hij had geen systematische opvoeding. Niettemin kende Mithridates veel verschillende talen en kende hij de beste vertegenwoordigers van de Hellenistische cultuur. Hij schreef over de geschiedenis van de natuur, enz., maar daarnaast was hij een typisch Aziatische satraap, wiens typische kenmerken bijgeloof, verraad en wreedheid waren. Mithridates VI creëerde door het veroveren van grote stukken land een groot koninkrijk Pontus. Mithridates VI erfde van zijn vader een klein vorstendom. Hij veroverde Colchis aan de oostkust van de Zwarte Zee en veranderde Colchis in Pontus satrapie. In het midden van de tweede eeuw voor Christus verrees op de Krim (Krim) een sterk Scythisch koninkrijk.

Stad Chersonesus in de strijd tegen het Scythische koninkrijk wendde zich tot Mithridates VI-kant en ook Bosporan Kingdom (de laatste vertegenwoordiger van de Spartocid-dynastie). De Bosporaanse koning gaf zijn macht op ten gunste van Mithridates VI. Mithridates VI achtervolgde de Scythen van Chersonese en onderdrukte de opstand van slaven onder leiding van Saumat. Daarna ging Mithridates VI een alliantie aan met de Scythen, Thraciërs en Bastarnae. Griekse steden en het Bosporus-koninkrijk gaven graan en geld, en ook barbaren gaven leger. Mithridates VI sloot een alliantie met de Armeense koning Tigranes, die hem hielp om te vechten tegen Cappadocië en Syrië. De expansie van Mithridates VI over het gebied van Centraal- en West-Klein-Azië stuitte echter op weerstand van de Romeinen. Lucius Cornelius Sulla regeerde in 92 voor Christus over Cilicië, maar hij herwon de onafhankelijkheid van het koninkrijk Cappadocië. Nadat Sulla het koninkrijk Cappadocië had verlaten, benoemde Mithridates VI nieuwe koningen in Cappadocië en Bithynië.

In die tijd vestigde Consul Manius Aquilius (die eerder de opstand van slaven op Sicilië had onderdrukt) eerdere politieke situaties in deze koninkrijken. Mithridates VI verzette zich daar niet tegen, omdat hij op dat moment geen oorlog met Rome wilde voeren. Manius Aquilius zette echter de eerste stap en op zijn initiatief begon Bithynian King een oorlog tegen Mithridates VI.

Mithridates VI verzet was de reden voor de Romeinse interventie. De eerste Romeinse oorlog tegen Mithridates VI begon in 89 voor Christus. Bithynische en Romeinse troepen werden verslagen door Mithridates VI. Mithridates VI ging naar de Romeinse provincie in Azië. De inwoners van Lesbos gaven Manius Aquilius over aan Mithridates VI, die probeerde te ontsnappen.

Voor een halve eeuw heerschappij in de Koninkrijk Pergamon, wisten de Romeinen de haat van de lokale bevolking op te wekken. Mithridates VI werd daarom geaccepteerd als bevrijder. In Efeze kwam een ​​delegatie die hem verwelkomde als een nieuwe Dionysus, een vader en redder van Azië. Van daaruit beval hij de uitroeiing van alle Romeinen en Italic die in de steden van Klein-Azië woonden, ongeacht leeftijd en geslacht. De gevolgen waren op één dag 80.000 doden. Mithridates VI verdeelde een veroverd gebied in satrapieën. Griekse steden werden erkend als vrije gebieden en gedurende een periode van 5 jaar werden steden vrijgesteld van alle belastingen.

Vanaf hier trok Mithridates VI met het leger mee naar Griekenland. In Athene werd met zijn steun een epicurische filosoof Aristion een heerser van Athene. Hij maakte een radicaal democratisch programma en de meeste rijke mensen verlieten de stad. In 88 voor Christus verloren de Romeinen tegelijkertijd met enig succes in de strijd tegen de Italic de macht over belangrijke oostelijke gebieden.

Sociale strijd in Rome tijdens de Eerste Mithridatische Oorlog

De Senaat kende Sulla toe als commandant van een leger. Democratische sociale lagen verzetten zich tegen deze beslissing. In 88 v.Chr. werden populares en ridders (die problemen hadden met het feit dat de rijke provincie onder leiding van optimaten zou komen) weer verenigd. Met deze stemming benoemde Gaius Marius zichzelf tot commandant van het Romeinse leger en sloot hij ook een overeenkomst met tribuun Publius Sulpicius Rufus.

Twee tribunen werden naar Nola (in Campanië) gestuurd om Lucius Cornelius Sulla te informeren over het besluit van de Nationale Vergadering. De Nationale Assemblee besloot dat Gaius Marius commandant moest worden, maar Sulla was het niet eens met deze beslissing. Hoge officieren slaagden erin een burgeroorlog te weigeren, maar Sulla zette toch koers naar Rome, dat hij, naar eigen zeggen, de Romeinse republiek wilde redden van tirannie. Gaius Marius en tribuun Publius Sulpicius Rufus eisen op het laatste moment dat slaven ook meegaan in de strijd tegen Sulla, maar het was tevergeefs. Sulla werd een onbeperkte dictator van Rome. Gaius Marius werd verslagen en vluchtte naar Afrika. Onmiddellijk na de oprichting van de regering schafte Lucius Cornelius Sulla de door Sulpicius voorgestelde wetten af ​​en herstelde hij ook de wet uit de periode van Servius Tullius. Centuriate Comitia's werden versterkt ten koste van tribune comitia, ook de macht van de Senaat werd uitgebreid (het aantal leden steeg met 300 mensen), een regering van tribune werd verminderd en nieuwe kolonies werden opgericht in het belang van ervaren soldaten.

Gaius Marius comeback in Rome en triomf van Marius supporters

In 87 v.Chr. zwoeren de consuls Lucius Cornelius Cinna, de aanhanger van Gaius Marius en Gnaeus Octavius ​​(aanhanger van Sulla, een Optimates) een eed van trouw aan Sulla, en daarna besloot Sulla een veldtocht naar het Oosten te beginnen.

Nadat Sulla Rome had verlaten, gaven Marius-aanhangers Rome over, waarin hongersnood en vervolgens pest heerste. De slaven waren vrij en gingen naar de kant van Marius-aanhangers, net als de soldaten die dienden in het leger van optimaten. Ook de Senaat werd onderworpen aan Marius-aanhangers en daarmee gaf Rome zich aan hen over. Vijf dagen lang duurde een moord op politieke rivalen. In 13 januari 86 voor Christus stierf Marius. Gedurende die tijd werd Sulla ontslagen uit de functie van commandant. Consul Lucius Valerius Flaccus was de nieuwe commandant die werd gekozen voor de strijd in het Oosten. Sulla's wetten werden afgeschaft en nieuwe burgers werden verdeeld in de 35 stammen, en er was ook gedeeltelijke cassatie van schulden. Nieuwe kolonie werd opgericht in Capua en ook een corrupte monetalis werd vervangen door meer adequate monetalis. De tollenaars van de ridders hebben het meeste gewonnen met deze verandering. Deze ridders waren de belangrijkste steun van de Marius-aanhangers. Onder de senatoren waren nog veel aanhangers van Sulla dus daarom zijn de onderhandelingen gestart over de terugkeer van Sulla.


Krater van Mithridates Eupator - Geschiedenis

Onderzoeksnotities:

Mithridates V Euergetes, een zoon van Pharnaces I, was koning van Pontus, in het noorden van Turkije, tussen 152/151 en 120. Hij was gelieerd aan Rome, dat hij steunde tijdens de Derde Punische Oorlog (149-146). Met deze alliantie kon Euergetes de macht van Pontus uitbreiden van de kusten van de Zwarte Zee naar centraal Anatolië, waar hij vocht tegen koning Ariarathes VI Epiphanes van Cappadocië en de Paphlagonische heerser Pylaemenes dwong zijn rijk aan Pontus na te laten.

Hij creëerde een hellenistisch hof en presenteerde zichzelf aan de Griekse wereld als kampioen van de Griekse beschaving in Anatolië. In 120 werd hij vermoord in Sinope en liet hij zijn koninkrijk na aan zijn vrouw, de Seleucidische prinses Laodice, en hun twee zonen, Mithridates VI Eupator en Mithridates Chrestus. 1

--------------------------------

Het beleid van. Mithridates V Euergetes zijn . belangrijk bij het helpen beoordelen van het bewind van zijn zoon en opvolger Mithridates VI Eupator. [Het] is redelijk om te veronderstellen dat de indruk die Euergetes heeft achtergelaten de algemene perceptie van Eupator wel eens kan hebben beïnvloed, althans aan het begin van diens regering. Sommige gebieden lijken eenvoudig genoeg. Euergetes zette bijvoorbeeld het beleid van loyaliteit en vriendelijkheid jegens Rome van zijn voorganger voort. Hij stuurde enkele schepen en hulptroepen om de Romeinse troepen bij Carthago te helpen in de Derde Punische Oorlog (App. Mith. 10). Hij leverde ook strijdkrachten in de oorlog tegen Aristonicus, waarvoor hij werd beloond met de gave van Phrygia Maior (App. Mith. 57 Gewoon. Epit. 37.1.2. 38.5.3).

. Frygië lag vrij ver van de grenzen van Pontus, en de toewijzing van Frygië aan Euergetes impliceerde dat hij op de een of andere manier de scepter zwaaide in Galatië en misschien Paphlagonia. Het is niet nodig om aan te nemen dat deze invloed verloren is gegaan bij de dood van Euergetes, alleen maar omdat Justin (Epit. 37.4.6.) informeert ons dat Mithridates Eupator Galatië in beslag nam. Eupator was misschien ontevreden over de bestaande invloed en wilde in plaats daarvan het land rechtstreeks bezetten. Hij was nog steeds in staat om de Galaten zijn bondgenoten te noemen aan de vooravond van de Eerste Mithridatische Oorlog (Just. Epit. 38.4.9).

Er is een zwakke mogelijkheid dat Euergetes Paphlagonia heeft geërfd van zijn koning Pylaemenes. Toen Eupator en Nicomedes III van Bithynia het in 108 binnenvielen en het onder hen verdeelden. ze werden door Rome bevolen om het terug te geven in pristinum statum (Just. Epit. 37.4.4). Eupator beweerde echter dat zijn vader het land had geërfd en was verrast dat de Romeinen nu een kwestie van Paphlagonia maakten, terwijl ze dat nog niet eerder hadden gedaan. Verdenking hecht onmiddellijk aan deze bewering omdat het werd gedaan om de Pontische invasie te rechtvaardigen. Evenzo was Cappadocië, een van de andere slachtoffers van Eupator, altijd van zijn voorouders geweest, zo werd beweerd: tijdens de regering van zijn vader Euergetes was het alleen maar teruggevonden door Pontus (App. Mith. 12). Zowel Cappadocië als Paphlagonia lijken in feite vrij onafhankelijke koninkrijken te zijn geweest, en er is weinig reden om de zelfrechtvaardigende beweringen van Eupator te geloven.

Euergetes' interesse in Cappadocië wordt duidelijker vermeld: "zij vielen het binnen als een vreemd gebied" (App. Mith. 10). We vinden ook Laodice, de dochter van Euergetes, getrouwd met de jonge koning van Cappadocië, Ariarathes VI (Just. Epit. 38.1.1 Memnon 22.1). Er wordt gewoonlijk gedacht dat dit huwelijk na de invasie kwam en een einde betekende aan de vijandelijkheden tussen Pontus en Cappadocië. D. Glew heeft deze visie onlangs aangevochten. Hij vraagt ​​hoe Euergetes, als hij Cappadocië onder de voet heeft gelopen. hoopte het onder controle te krijgen door zijn dochter aan zijn koning te laten trouwen, en waarom Ariarathes, als hij de Pontische aanval afsloeg, ermee instemde de dochter van zijn verslagen tegenstander te trouwen. Zijn suggestie is dat Euergetes' betrekkingen met Cappadocië in feite vriendschappelijk waren, en dat de invasie werd ondernomen namens Ariarathes VI om de interne strijd in Cappadocië te beslechten. Dit, vindt hij, geeft een beter beeld van het huwelijk: nadat hij Ariarathes had geholpen zich te vestigen, verstevigde Euergetes de relatie door zijn dochter met hem te trouwen. Dit is mogelijk, maar de geaccepteerde mening is volkomen logisch: Euergetes overrompelde Cappadocië, maar toen hij hoorde wat er met een even agressieve Pharnaces was gebeurd, besloot hij het niet te bezetten en in plaats daarvan Ariarathes op de troon te laten, in de hoop te behouden hem nauwlettend in de gaten houden via Laodice, en zo het land indirect beheersen. Toen Ariarathes V stierf, waarschijnlijk in 130, was zijn zoon Ariarathes VI nog te jong om te regeren, en trad zijn moeder Nysa op als regentes. Ariarathes VI zal ten tijde van zijn huwelijk met Laodice slechts een beetje ouder zijn geweest, en dus nog, zou Euergetes best plooibaar hebben aangenomen, vooral omdat zijn troepen zojuist door Euergetes waren verslagen. Gezien de vroege activiteiten van Eupator in Cappadocië, is dit veel logischer dan Glew's versie van de gebeurtenissen. Want Eupator's Cappadocische beleid was vrijwel zeker hetzelfde: dat wil zeggen, hij was niet bereid om het graafschap direct te bezetten, maar probeerde het voortdurend indirect te controleren via tussenpersonen. Eupator heeft waarschijnlijk net het beleid van zijn vader overgenomen.

Het huwelijk van zijn dochter was dus een belangrijk onderdeel van het buitenlands beleid van Euergetes. Wat zijn eigen huwelijk betreft, is het mogelijk dat hij met een Seleucidus is getrouwd. Dit wordt in geen enkele bron rechtstreeks vermeld, maar het is een gevolgtrekking van Justin (Epit. 38.8.1), die de voorouderlijke beweringen van Mithridates Eupator meldt: paternos maiores suos a Cyro Darioque, conditoribus Persici regni, maternos en magno Alexandro ac Nicatore Seleuco conditoribus imperii Macedonici referat.

Intern. het koninkrijk, of in ieder geval het hof, werd Griekser, en ook in het buitenlands beleid spande Euergetes zich in om een ​​door en door fihellenisch gezicht naar de buitenwereld te laten zien. De koning zelf, evenals zijn raadsman Dionysius, werden op Delos geëerd: Aeschylus, de zoon van Zopyrus, en de gymnasiarch Seleucus wijdde standbeelden ter ere van hem. Die van Aeschylus is niet gedateerd, maar Seleucus was gymnasiarch in 129/8. We leren meer over Euergetes' relatie met Delos van de koninklijke tetradrachme die onlangs werd besproken door L. Robert, de eerste koninklijke uitgave van Euergetes die werd ontdekt. De voorzijde draagt, zoals gebruikelijk, een portret van de koning, maar voor het eerst is het iets minder dan realistisch met het haar meer golvend en geromantiseerd dan dat van de koninklijke muntportretten van zijn voorgangers. Het type van de voorzijde is een staande mannelijke figuur, naar links kijkend en een boog tegen zijn linkerarm houdend. Op zijn uitgestrekte rechterarm staat een vrouwenfiguur met aan weerszijden een "forme sch"eacutematique", en het opschrift op drie verticale lijnen luidt "van koning Mithridates Euergetes". Robert heeft de figuur overtuigend geïdentificeerd als een standbeeld van Apollo Delios. De figuren op de rechterarm zijn de drie gratiën. Hier . is een proclamatie van het Hellenisme. met speciale aandacht voor de weldaden geschonken door Euergetes op het heilige eiland van Apollo. De keuze van het type werd geïnspireerd door zijn donaties aan Apollo, en de standbeelden die Seleucus in 129/8 en door Aeschylus had opgericht, waren een erkenning van deze donaties.

Tijdens het bewind van Mithridates Euergetes kunnen we drie onderdelen van het buitenlands beleid onderscheiden. Ten eerste, een duidelijke pro-Romeinse streng geërfd van zijn voorganger. Euergetes was een trouwe en waardevolle "vriend" van Rome, en hij oogstte een aanzienlijke beloning bij de verwerving van Frygië. Of Rome's verwijdering van Phrygia uit Pontische controle aan het begin van Eupator's regering een senatoriale verdenking van Euergetes' macht en activiteiten weerspiegelt, is een kwestie van speculatie. Zelfs als we rekening houden met een zekere mate van Romeins onbehagen, is er geen enkel bewijs om de theorie te ondersteunen dat Rome achter de moord op Euergetes zat, en dat de Senaat verwachtte dat Euergetes zijn koninkrijk aan Rome zou nalaten. Ten tweede was er een even duidelijke philhellenic streng. Dit was niet nieuw, maar de nadruk op Apollo en Delos lijkt te zijn geweest. De derde lijn is zijn beleid ten aanzien van zijn buren in Anatolië, en dat is minder duidelijk. Het bewijs voor zijn betrokkenheid bij Paphlagonia en Cappadocië wordt vertroebeld door de pogingen van Mithridates Eupator om zijn eigen bezetting van deze landen te rechtvaardigen, maar het lijkt erop dat Euergetes expansionistisch was. Hij had misschien gehoopt zijn koninkrijk uit te breiden onder het mom van een pro-Romeins beleid, waardoor Pontus misschien dezelfde soort positie zou verwerven als Pergamum en Rhodos in de eerste helft van de tweede eeuw, maar zijn methoden waren veel subtieler dan die van Pharnaces: hij probeerde Pontische invloed uit te breiden in plaats van territoriale grenzen. 2

--------------------------------

De laatste periode van Seleuciden-Pontische relaties was verbonden met de heerschappij van Mithridates V Euergetes en zijn zoon Mithridates VI Eupator. Volgens de Pontische traditie nam Mithridates V een vrouw uit de Seleucidische dynastieke familie - Laodice, een dochter van koning Antiochus IV Epiphanes. De precieze datum van dit huwelijk is niet bekend. T. Reinach veronderstelde dat het in het midden van de jaren 140 voor Christus had kunnen plaatsvinden. De hernieuwing van de vroegere gewoonte om met Seleucidische prinsessen te trouwen, werd klaarblijkelijk tot stand gebracht door actieve naleving van het buitenlands beleid van Rome, dat ook door wijlen Seleuciden werd nagestreefd. Mithridates V wilde graag de goedkeuring van Rome krijgen en, indien mogelijk, de goedkeuring van zijn rechten in Phrygië en Mysia. [Hij] moest ook de Romeinen overtuigen van zijn legitieme recht om aanspraak te maken op deze gebieden volgens hetzelfde juridische geval. Om zijn beweringen te staven had Euergetes een echtgenoot van de Seleuciden nodig als bewijs van legitimiteit en de continuïteit van Seleucus Callinicus' beslissing. De Pontische koning had dit doel eindelijk bereikt - in 129 voor Christus, toen Pergamum tot Romeinse provincie werd uitgeroepen, werd Groot-Frygië aan Pontus gegeven als beloning voor het helpen van de Romeinen in de oorlog met Aristonicus (Justin XXXVII. 1. 2 XXXVIII. 5 3 App. Mithr. 12, 13, 57 kp. app. Bel. civ. I. 22 Leef. LXX Cic. Pro Flacco. 98 de oratore. II. 124, 188, 194-196). 3

Huwelijksinformatie:

Mithridates trouwde tussen 152 en 145 vGT met Laodike SELEUCID, prinses van Syrië, dochter van Antiochos IV Epiphanes SELEUCID, koning van Syrië, en Laodike SELEUCID, koningin van Syrië. (Laodike SELEUCID stierf tussen 115 en 113 vGT.)


Mithridate

Mithridates de Grote was van 120 tot 63 v.G.T. de tirannieke koning van Pontus (een oud koninkrijk in Noordoost-Azië). Hij werd gedood door een Gallische huurling wiens diensten hij zelf aannam nadat hij er niet in was geslaagd zichzelf te vergiftigen na een opstand van zijn troepen. Vermoedelijk was zijn zelfmoord niet succesvol omdat hij zichzelf immuun had gemaakt voor gif door sinds zijn kindertijd kleine doses ervan te nemen in een poging het lot van moord door gif te vermijden. Het verhaal van Mithridates' tolerantie zit achter het Engelse woord mithridate, die dateert uit het begin van de 16e eeuw, evenals het woord mithridatisme, gedefinieerd als "tolerantie voor een gif verkregen door het nemen van geleidelijk verhoogde doses ervan."


Ronde Tafel

Drugpot voor mithridaat, toegeschreven aan Annibale Fontana, ca. 1580. Op het reliëf is te zien dat Mithridates VI ofwel zijn dagelijkse tegengif ofwel een dosis gif krijgt. Het J. Paul Getty-museum. Digitaal beeld met dank aan het Getty's Open Content Program.

Rond 120 voor Christus kwam de laatste en grootste van de Hellenistische koningen van Pontos - een gebied dat het grootste deel van de kust van de Zwarte Zee omvatte - op de troon. Mithridates VI Eupator Dionysos zou ongeveer zevenenvijftig jaar regeren, aanzienlijk langer dan al zijn zeven voorgangers, en hoewel zijn koninkrijk grotendeels zou worden geassimileerd door de Romeinen of opgedeeld in kleinere staten, zouden zijn directe afstammelingen een deel van zijn rijk regeren. — onder Romeins toezicht — tot ten minste de derde eeuw. Mithridates VI, een van de belangrijkste dynastieën van het late Hellenistische tijdperk, zou honderden jaren na zijn dood interesse wekken bij zowel Grieken als Romeinen. Bovendien zou hij een krachtig hiernamaals hebben in de kunst en muziek tot in de moderne tijd. Zijn prestaties waren niet beperkt tot de politieke en militaire wereld, hij zou een intellectuele en artistieke aanwezigheid creëren aan zijn hof, inclusief zijn eigen wetenschappelijke profiel. Net als andere grote tegenstanders van het Romeinse expansionisme, zouden zijn prestaties behouden blijven door degenen die hem versloegen.

Mithridates VI was opgeleid in Grieks leren en was vooral geïnteresseerd in cultische zaken en muziek. Hij schreef over de interpretatie van dromen, zowel die van hemzelf als die van zijn familie. Maar de belangrijkste wetenschappelijke activiteit voor zowel de koning als de leden van zijn hofhouding was medisch onderzoek. De koning nam zelf het voortouw, zelfs als praktiserend arts, hoewel dit misschien meer een politieke dan een medische activiteit was. Prominent aan het hof was de kruidkundige Krateuas, bekend als de 'wortelsnijder', die een alfabetisch kruidenboek schreef, bekend om zijn gekleurde afbeeldingen van planten. Hij schreef ook uitgebreid over plantkunde. De empirische arts Zopyros, wiens carrière grotendeels in Alexandrië was aan het hof van Ptolemaeus XII (hij was mogelijk een leraar van Cleopatra VII), wisselde informatie uit met de koning over tegengif voor vergif en heeft mogelijk Pontos bezocht. De koning had een uitgebreide medische bibliotheek en hij verzamelde exemplaren en informatie uit zijn territoria en correspondeerde met artsen in de hele mediterrane wereld. Hij drong er bij de Griekse arts Asclepiades van Bithynië, die in Rome woonde, op aan om naar het hof te komen, maar hun contact bleef beperkt tot het uitwisselen van verhandelingen. Aangezien Asclepiades in 91 voor Christus dood was, moeten de medische interesses van Mithridates al vroeg in het leven zijn begonnen.

Interesse in farmacologie was een bijzondere zorg van Hellenistische royalty's: het gevaar van vergiftiging door iemands intimi was altijd aanwezig en kon succesvol zijn. Attalus III van Pergamon (regeerde van 138-133 v. Chr.) was een bekend landbouwer - zozeer zelfs dat er werd gezegd dat hij zijn koninklijke plichten verwaarloosde en het einde van zijn koninkrijk bespoedigde - die schreef over medicijnen en farmacologie. De Seleucidische koning Antiochus VIII (regeerde ca. 125-96 v. Chr.) creëerde een verbinding die zowel effectief was tegen gif als tegen andere remedies. Nicomedes IV van Bithynia (regeerde c. 94-74 v. Chr.) was ook een praktiserend farmacoloog.

Mithridates creëerde een aantal tegengiffen, meestal gebaseerd op kruiden en andere botanische materialen. De eenvoudigste gebruikte walnoten, vijgen en andere wijnruiten hadden tientallen ingrediënten. Er werd gezegd dat hij met succes een tegengif had getest op een ter dood veroordeelde gevangene. Hoewel een soortgelijk verhaal werd verteld over Cleopatra VII (waarbij alleen het gif betrokken was, niet het tegengif), was het verhaal in het geval van Mithridates waarschijnlijk waar. Uiteindelijk de naam mithridatios (of mithridatum) was gehecht aan een of meer van deze tegengiffen het woord mithridate wordt vandaag de dag nog steeds gebruikt als middel tegen gif en ziekte. De Mithridatic tegengiffen werden populair in Rome, vooral onder de Romeinse elite, hoewel ze zich na verloop van tijd van de originelen ontwikkelden. In de Renaissance werden tegengif genaamd mithridatum gebruikt tegen de pest, en een mooie vergulde terracotta drugspot, gemaakt om dergelijke verbindingen te bevatten en met een afbeelding van de dood van de koning, wordt toegeschreven aan Annibale Fontana en is te zien in de Getty-museum.

Mithridates experimenteerde ook met wetenschappelijk tuinieren, vooral tijdens zijn laatste ballingschap in de Bosporus, in een poging (zonder succes) om mediterrane planten naar die noordelijke regio te brengen. Zijn naam raakte gehecht aan een aantal planten die hij identificeerde, waaronder een die Krateuas mithridatia noemde, met roze bloemen waarvan de bladeren leken op een acanthus. Er was er nog een die scordotis of schorpioen heette, ongeveer een el hoog met donzige bladeren zoals die van de eik, die inheems was in Pontos. Geen van beide kan vandaag met zekerheid worden geïdentificeerd. Er was een derde, eupatoria (waarschijnlijk Agrimonië eupatoria) zijn zaden kunnen dysenterie verlichten. Mithridates ontwikkelde ook enkele remedies voor keelpijn. Veel van de geschriften van de koning werden ontdekt door Pompey bij de ineenstorting van het koninkrijk, inclusief notitieboekjes en ander materiaal in zijn eigen hand. Hij schreef in het Grieks en sommige van zijn verhandelingen en aantekeningen werden in het Latijn vertaald door Pompeius Lenaeus, een van Pompeius' vrijgelatenen en een op zichzelf staande medische autoriteit.

Ironisch genoeg zou de reputatie van de koning als meester-tuinier na zijn dood een impact hebben op zijn twee veroveraars, Lucullus en Pompey. Zelfs meer dan een eeuw later waren de tuinen van Lucullus op de Pincian-heuvel in Rome en in de buurt van Napels beroemd om hun weelde en oosterse kwaliteit. Hij importeerde planten uit Pontos, vooral de kersenboom. Pompey wijdde zijn theater en portiek op de Campus Martius in Rome een paar jaar na zijn triomf, een van de meest innovatieve architecturale complexen van het tijdperk. Het omvatte een uitgebreide tuin met bomen uit Azië, een zichtbaar overblijfsel van Pompey's overzeese carrière. Mogelijk heeft het complex ook een standbeeld van Mithridates gehad dat uit Pontos is meegebracht. De beroemde tuinschilderingen uit de eetkamer van de villa van Livia in Prima Porta, net ten noorden van Rome, nu in het Museo Nazionale Romano, zijn misschien wel het beste nog bestaande voorbeeld van het type tuin dat aristocratische Romeinen aanbouwden, en misschien zelfs dat van Mithridates zelf. De geest van de koning was lang na zijn dood in Rome zichtbaar.

Phet is misschien niet verwonderlijk dat Mithridates' levenslange studie van vergiften een belangrijke rol lijkt te hebben gespeeld in zijn uiteindelijke ondergang.

Op een dag in het begin van 63 v.Chr. keek Mithridates uit de portiek van zijn paleis en zag hoe zijn zoon Pharnaces II op de binnenplaats beneden tot koning werd uitgeroepen. Mithridates was bang dat hij aan de Romeinen zou worden uitgeleverd en triomfantelijk zou verschijnen. Hij had vergif bij de hand en gaf het eerst aan twee van zijn dochters, Mithridatis en Nyssa, die ooit verloofd waren geweest met respectievelijk Ptolemaeus XII van Egypte en zijn broer Ptolemaeus van Cyprus. Beiden stierven onmiddellijk. Maar het gif zou geen effect hebben gehad op de koning, die al vele jaren constant tegengif testte om zichzelf te beschermen. Hij vroeg dus een Keltische officier in zijn gevolg, een zekere Bituitus, om hem te doden, die gehoorzaamde. Een minder dramatische, en waarschijnlijk minder betrouwbare, traditie is dat hij het slachtoffer was van een opstand in zijn leger, een reactie op een geplande Europese expeditie.

Het verhaal van het gif is verdacht, hoewel vaak gerapporteerd, met het meest volledige verslag van Galenus. Het rapport van Galenus, dat minstens twee eeuwen later is geschreven, wordt ingeleid door 'ze zeggen', een manier in het Grieks om iets aan te geven waar de auteur bedenkingen bij heeft. De meest voor de hand liggende zorg is dat het onwaarschijnlijk is dat de koning, die een expert was op het gebied van antidota, een gif zou nemen waarvan hij alle reden had om aan te nemen dat het niet zou werken. Het is waarschijnlijker dat het verhaal een gecreëerde romantische versie van de dood van de koning was, vergelijkbaar met die van Cleopatra VII en de adder, die het feit verdoezelde dat hij op het laatste moment, fysiek zwak en politiek vernietigd, niet in staat was om met zichzelf en moest, net als Marcus Antonius dertig jaar later, een slaaf inroepen.

Twee decennia na zijn dood noemde Cicero Mithridates VI 'de grootste koning sinds Alexander'. Hoewel Cleopatra VII vaak wordt gezien als de laatste grote tegenstander van de Romeinse Republiek, nam haar oppositie slechts de laatste periode van haar leven in beslag, toch vocht Mithridates er bijna dertig jaar mee. Toen de Republiek zich ontwikkelde tot een rijk, zochten de koningen en koninginnen aan de rand, zoals Herodes de Grote van Judea, Archelaus van Cappadocië, Dynamis van Bosporos en Juba II en Cleopatra Selene van Mauretanië, onderdak bij Rome als geallieerde vorsten in plaats van confrontatie.

Van Empire of the Black Sea: The Rise and Fall of the Mithridatic World door Duane W. Roller. Copyright © 2020 door Duane W. Roller en uitgegeven door Oxford University Press. Alle rechten voorbehouden.


Anıñ ätise wafat bulğannan soñ Mitridat Watanın taşlap kitärgä mäcbür bulğan, çönki änise ulınıñ yaña xakim bulaçağın telämägän.

Öygä qaytqaç, Midridat başlanğıç bilämälären kiñäytä, Kolxida, Bospor, Paflagoniä, Kappadokiä, Galatiä illären basıp ala.

Soñraq Vifiniä patlalığın basıp alırğa tırışqan, läkin Vifiniä - Rim Respublikası mänfäğätlären yaqlağan. Näticädä Rim Respublikasına qarşı suğışı başlana.

Pont patşalarınıñ Rim İmperiäsenä qarata küptän däğwaları bulğan häm Mitridat Eupator böyek Rim ğäskär başlıqlarına qarşı - Sulla, Lukull, Gney Pompey - suğışqan.

Pont häm Rim Respublikası arasında öç "Mitridat suğışı" bulğan.

64 b.e.g. Midridatnıñ ulı Farnak häm Rim yaqlı xiänätçelär citäkçelegendä Mitridatqa qarşı tüntäreleş oyıştırılğan.

Xiänätçelär oyıştırğan tüntäreleş näticäsendä Böyek Mitridat Pantikapey şähärendä (bügenge Keriç) hälaq bula.

Mitridat wafatınnan soñ Rim Respublikası Keçe Aziäne basıp ala.

Midridat Eupator ellinistik Könçığış soñğı patşası bulğan.

Mitridat Eupator istälegenä Keriç şähärendä taw häm Qırım şähäre Eupatoriä (Kizläw) atalğan.


Een historisch correcte superheld? Het opmerkelijke verhaal van Mithridates VI

Er zijn op dit moment veel superheldenfilms, het lijkt een populair onderwerp te zijn en de franchises die rond deze bovenmenselijke personages zijn gebouwd, zoals The Avengers, X-Men, Wonderwoman en Superman, hebben een enorme aanhang.

Als je van verhalen houdt over mensen met bovenmenselijke gaven, denk dan eens aan het leven van koning Mithridates Eupator VI van Pontus. Geboren in het jaar 135 v. Chr. in hetzelfde jaar dat een heldere komeet de hemel verlichtte.

(Voor de mensen in het Oosten luidde een komeet geluk in, maar voor de Grieken en Romeinen werden kometen vaak geassocieerd met rampspoed of rampspoed. Veel munten uit de vroege heerschappij van Mithridates bevatten vaak sterren en kometen).

Man met vele talenten

Mithridates had zowel Griekse als Perzische voorouders, hij was een voorvechter van kunst en wetenschappen, hield van muziek en sprak naar verluidt vele talen. Hij verzamelde en catalogiseerde edelstenen, zijn ingenieurs ontwikkelden wateraangedreven molens en zeer geavanceerde belegeringsmachines. Er werd gezegd dat hij Alexander de Grote bewonderde (die ongeveer twee eeuwen voor hem leefde). Maar er wordt ook gezegd dat hij gekleed was als een van de oude Perzische koningen.

Hij was een van de dodelijkste vijanden van de Romeinse Republiek.

Maar zijn jeugd was traumatisch. In 120 voor Christus was zijn vader (Mithridates V) vermoord (door vergiftiging) tijdens een banket. De schuldigen, zijn eigen moeder Laodice en broer Chrestus, namen onmiddellijk het koninkrijk over en spanden samen tegen de jonge Mithridates.

Op de vlucht

Hij ontsnapte en leefde een paar jaar in de wildernis. In deze tijd ontwikkelde hij een interesse in vergiften en tegengiffen.

Er gingen geruchten dat hij regelmatig op zichzelf zou experimenteren om een ​​bijna bovenmenselijke immuniteit te ontwikkelen tegen veel vergiften. Een fantasievol verhaal was dat hij een tegengif had ontwikkeld voor alle natuurlijke gifstoffen. Mithridates kwam uit de wildernis en keerde ergens tussen 116-113 v. Chr. terug naar Pontus.

De terugkomst van de koning

Hij was machtig geworden en nu verwelkomden de mensen van Pontus (nu Noord-Turkije) hem als hun koning. Bij zijn terugkeer liet hij zijn eigen moeder en broer in de gevangenis werpen (waar ze allebei stierven).

Zijn interesse in vergiften en tegengiffen groeide, hij zou tuinen hebben gehad vol giftige (giftige) planten. Hij liet zijn dienaren ook vergif verzamelen van schorpioenen, slangen, kwallen en zelfs pijlstaartroggen.

He decided to increase his power by invading countries nearby or manipulating policy in rival kingdoms to his advantage. However, the Roman Republic was also gaining territory in that part of the world.

Bloedbad

To the people of Pontus, he was a superhero, but to the Romans he was considered a supervillain. (In fact, some historians say that they regarded him as a ‘second Hannibal’)

He masterminded the massacre of between 80,000 to 100,000 Roman men, women and children in Anatolia (now Turkey), on one day in 88B.C. As Adrienne Mayor points out on her book ‘The Poison King’: A sudden attack on this scale, with no intelligence leaks, must have taken an incredible amount of planning and coordination on the part of Mithridates and his followers.

He fought three major wars against the Romans and their allies (Later called the Mithridatic Wars). In one battle ‘Zela’ in 67B.C. he killed over 7,000 Roman soldiers.

He was eventually defeated at Dasteria (later called Nicopolis) by the Roman General Pompey. He fled and tried to rally more support, but his remaining forces then chose to support his son Pharnaces II of Pontus, friend of Pompey and sadly for Mithridates, an ally of Rome.


Event #5512: Mithridates VI of Pontus

Mithridates VI or Mithradates VI from Old Persian Miθradāta, “gift of Mithra” 135–63 BC, also known as Mithradates the Great (Megas) and Eupator Dionysius, was king of Pontus and Armenia Minor in northern Anatolia (now Turkey) from about 120–63 BC. Mithridates is remembered as one of the Roman Republic’s most formidable and successful enemies, who engaged three of the prominent generals from the late Roman Republic in the Mithridatic Wars: Lucius Cornelius Sulla, Lucius Licinius Lucullus and Gnaeus Pompey Magnus. He is often considered the greatest ruler of the Kingdom of Pontus.

Mithridates VI was a prince of Persian and Greek ancestry. He claimed descent from Cyrus the Great, the family of Darius the Great, the Regent Antipater, the generals of Alexander the Great as well as the later kings Antigonus I Monophthalmus and Seleucus I Nicator.

Mithridates was born in the Pontic city of Sinope, and was raised in the Kingdom of Pontus. He was the first son among the children born to Laodice VI and Mithridates V of Pontus (reigned 150–120 BC). His father, Mithridates V, was a prince and the son of the former Pontic Monarchs Pharnaces I of Pontus and his wife-cousin Nysa. His mother, Laodice VI, was a Seleucid Princess and the daughter of the Seleucid Monarchs Antiochus IV Epiphanes and his wife-sister Laodice IV.

Mithridates V was assassinated in about 120 BC in Sinope, poisoned by unknown persons at a lavish banquet which he held. He left the kingdom to the joint rule of Mithridates’ mother, Laodice VI, Mithridates, and his younger brother, Mithridates Chrestus. Neither Mithridates nor his younger brother were of age, and their mother retained all power as regent for the time being. Laodice VI’s regency over Pontus was from 120 BC to 116 BC (even perhaps up to 113 BC) and favored Mithridates Chrestus over Mithridates. During his mother’s regency, he escaped from his mother’s plots against him, and went into hiding.

Mithridates emerged from hiding, returning to Pontus between 116 BC and 113 BC and was hailed as king. He removed his mother and brother from the throne, imprisoning both, becoming the sole ruler of Pontus. Laodice VI died in prison, ostensibly of natural causes. Mithridates Chrestus may have died in prison also, or may have been tried for treason and executed. Mithridates gave both royal funerals. Mithridates first married his younger sister Laodice, aged 16. His goal was to preserve the purity of their bloodline, solidify his claim to the throne, to co-rule over Pontus, and to ensure the succession to his legitimate children.

Mithridates entertained ambitions of making his state the dominant power in the Black Sea and Anatolia. He first subjugated Colchis, a region east of the Black Sea, and prior to 164 BC, an independent kingdom. He then clashed for supremacy on the Pontic steppe with the Scythian King Palacus. The most important centres of Crimea, Tauric Chersonesus and the Bosporan Kingdom readily surrendered their independence in return for Mithridates’ promises to protect them against the Scythians, their ancient enemies. After several abortive attempts to invade the Crimea, the Scythians and the allied Rhoxolanoi suffered heavy losses at the hands of the Pontic general Diophantus and accepted Mithridates as their overlord. The young king then turned his attention to Anatolia, where Roman power was on the rise. He contrived to partition Paphlagonia and Galatia with King Nicomedes III of Bithynia. It soon became clear to Mithridates that Nicomedes was steering his country into an anti-Pontic alliance with the expanding Roman Republic. When Mithridates fell out with Nicomedes over control of Cappadocia, and defeated him in a series of battles, the latter was constrained to openly enlist the assistance of Rome. The Romans twice interfered in the conflict on behalf of Nicomedes (95–92 BC), leaving Mithridates, should he wish to continue the expansion of his kingdom, with little choice other than to engage in a future Roman-Pontic war.

The next ruler of Bithynia, Nicomedes IV of Bithynia, was a figurehead manipulated by the Romans. Mithridates plotted to overthrow him, but his attempts failed and Nicomedes IV, instigated by his Roman advisors, declared war on Pontus. Rome itself was involved in the Social War, a civil war with its Italian allies. Thus, in all of Roman Asia Province there were only two legions present in Macedonia. These legions combined with Nicomedes IV’s army to invade Mithridates’ kingdom of Pontus in 89 BC. Mithridates, however, won a decisive victory, scattering the Roman-led forces. His victorious forces were welcomed throughout Anatolia. The following year, 88 BC, Mithridates orchestrated a massacre of Roman and Italian settlers remaining in several Anatolian cities, essentially wiping out the Roman presence in the region. This episode is known as the Asiatic Vespers. The Kingdom of Pontus comprised a mixed population in its Ionian Greek and Anatolian cities. The royal family moved the capital from Amasya to the Greek city of Sinope. Its rulers tried to fully assimilate the potential of their subjects by showing a Greek face to the Greek world and an Iranian/Anatolian face to the Eastern world. Whenever the gap between the rulers and their Anatolian subjects became greater, they would put emphasis on their Persian origins. In this manner, the royal propaganda claimed heritage both from Persian and Greek rulers, including Cyrus the Great, Darius I of Persia, Alexander the Great and Seleucus I Nicator. Mithridates too posed as the champion of Hellenism, but this was mainly to further his political ambitions it is no proof that he felt a mission to promote its extension within his domains. Whatever his true intentions, the Greek cities (including Athens) defected to the side of Mithridates and welcomed his armies in mainland Greece, while his fleet besieged the Romans at Rhodes. Neighboring King of Armenia Tigranes the Great, established an alliance with Mithridates and married one of Mithridates’ daughters, Cleopatra of Pontus. They would support each other in the coming conflict with Rome.

The Romans responded by organising a large invasion force to defeat him and remove him from power.The First Mithridatic War, fought between 88 BC and 84 BC, saw Lucius Cornelius Sulla force Mithridates VI out of Greece proper. After victory in several battles, Sulla received news of trouble back in Rome posed by his enemy Gaius Marius and hurriedly concluded peace talks with Mithridates. As Sulla returned to Italy Lucius Licinius Murena was left in charge of Roman forces in Anatolia. The lenient peace treaty, which was never ratified by the Senate, allowed Mithridates VI to recoup his forces. Murena attacked Mithridates in 83 BC, provoking the Second Mithridatic War from 83 BC to 81 BC. Mithridates scored a victory over Murena’s green forces before peace was again declared by treaty.

When Rome attempted to annex Bithynia (bequested to Rome by its last king) nearly a decade later, Mithridates VI attacked with an even larger army, leading to the Third Mithridatic War from 73 BC to 63 BC. First Lucullus and then Pompey were sent against Mithridates VI, who surged back to retake his kingdom of Pontus, but was at last defeated by Pompey. After Pompey defeated him in Pontus in 66 BC, Mithridates VI fled with a small army to Colchis (modern Georgia) and then over the Caucasus Mountains to Crimea and made plans to raise yet another army to take on the Romans. His eldest living son, Machares, viceroy of Cimmerian Bosporus, was unwilling to aid his father. Mithridates had Machares killed, and Mithridates took the throne of the Bosporan Kingdom. Mithridates then ordered the conscriptions and preparations for war. In 63 BC, Pharnaces II of Pontus, one of his sons, led a rebellion against his father, joined by Roman exiles in the core of Mithridates’ Pontic army. Mithridates withdrew to the citadel in Panticapaeum, where he committed suicide. Pompey buried Mithridates in the rock-cut tombs of his ancestors in Amasya, the old capital of Pontus.

During the time of the First Mithridatic War, a group of Mithridates’ friends plotted to kill him. These were Mynnio and Philotimus of Smyrna, and Cleisthenes and Asclepiodotus of Lesbos. Asclepiodotus changed his mind and became an informant. He arranged to have Mithridates hide under a couch to hear the plot against him. The other conspirators were tortured and executed. However, this was not enough for Mithridates, who also killed all of the plotters’ families and friends.

Where his ancestors pursued philhellenism as a means of attaining respectability and prestige among the Hellenistic kingdoms, Mithridates VI made use of Hellenism as a political tool. As protector of Greek cities on the Black Sea and in Asia against barbarism, Mithridates VI logically became protector of Greece and Greek culture, and would use this stance in his clashes with Rome. Strabo mentions that Chersonesus buckled under the pressure of the barbarians and asked Mithridates VI to become its protector (7.4.3. c.308). The most impressive symbol of Mithridates VI’s approbation with Greece (Athens in particular) appears at Delos: a heroon dedicated to the Pontic king in 102/1 by the Athenian Helianax, a priest of Poseidon Aisios. A dedication at Delos, by Dicaeus, a priest of Sarapis, was made in 94/93 BC on behalf of the Athenians, Romans, and “King Mithridates Eupator Dionysus.” Greek styles mixed with Persian elements also abound on official Pontic coins – Perseus was favored as an intermediary between both worlds, East and West. Certainly influenced by Alexander the Great, Mithridates VI extended his propaganda from “defender” of Greece to the “great liberator” of the Greek world as war with Roman Republic became inevitable. The Romans were easily translated into “barbarians”, in the same sense as the Persian Empire during the war with Persia in the first half of the 5th century BC and during Alexander’s campaign. How many Greeks genuinely bought into this claim will never be known. It served its purpose, however. At least partially because of it, Mithridates VI was able to fight the First War with Rome on Greek soil, and maintain the allegiance of Greece. His campaign for the allegiance of the Greeks was aided in no small part by his enemy Sulla, who allowed his troops to sack the city of Delphi and plunder many of the city’s most famous treasures to help finance his military expenses.

After Pompey defeated him in Pontus, Mithridates VI fled to the lands north of the Black Sea in the winter of 66 BCE in the hope that he could raise a new army and carry on the war. However, his preparations proved to be too harsh on the local nobles and populace, and they rebelled against his rule. He allegedly attempted suicide by poison this attempt failed, however, because of his immunity to the poison. According to Appian’s Roman History, he then requested his Gaulish bodyguard and friend, Bituitus, to kill him by the sword:

Mithridates then took out some poison that he always carried next to his sword, and mixed it. There two of his daughters, who were still girls growing up together, named Mithridates and Nysa, who had been betrothed to the kings of [Ptolemaic] Egypt and of Cyprus, asked him to let them have some of the poison first, and insisted strenuously and prevented him from drinking it until they had taken some and swallowed it. The drug took effect on them at once but upon Mithridates, although he walked around rapidly to hasten its action, it had no effect, because he had accustomed himself to other drugs by continually trying them as a means of protection against poisoners. These are still called the Mithridatic drugs.

Seeing a certain Bituitus there, an officer of the Gauls, he said to him, “I have profited much from your right arm against my enemies. I shall profit from it most of all if you will kill me, and save from the danger of being led in a Roman triumph one who has been an autocrat so many years, and the ruler of so great a kingdom, but who is now unable to die by poison because, like a fool, he has fortified himself against the poison of others. Although I have kept watch and ward against all the poisons that one takes with his food, I have not provided against that domestic poison, always the most dangerous to kings, the treachery of army, children, and friends.” Bituitus, thus appealed to, rendered the king the service that he desired.

Cassius Dio Roman History, on the other hand, records a different account:

Mithridates had tried to make away with himself, and after first removing his wives and remaining children by poison, he had swallowed all that was left yet neither by that means nor by the sword was he able to perish by his own hands. For the poison, although deadly, did not prevail over him, since he had inured his constitution to it, taking precautionary antidotes in large doses every day and the force of the sword blow was lessened on account of the weakness of his hand, caused by his age and present misfortunes, and as a result of taking the poison, whatever it was. When, therefore, he failed to take his life through his own efforts and seemed to linger beyond the proper time, those whom he had sent against his son fell upon him and hastened his end with their swords and spears. Thus Mithridates, who had experienced the most varied and remarkable fortune, had not even an ordinary end to his life. For he desired to die, albeit unwillingly, and though eager to kill himself was unable to do so but partly by poison and partly by the sword he was at once self-slain and murdered by his foes.

At the behest of Pompey, Mithridates’ body was later buried alongside his ancestors (in either Sinope or Amaseia). Mount Mithridat in the central Kerch and the town of Yevpatoria in Crimea commemorate his name.

In his youth, after the assassination of his father Mithridates V in 120 BC, Mithridates is said to have lived in the wilderness for seven years, inuring himself to hardship. While there, and after his accession, he cultivated an immunity to poisons by regularly ingesting sub-lethal doses of the same. He invented a complex “universal antidote” against poisoning several versions are described in the literature. Aulus Cornelius Celsus gives one in his De Medicina and names it Antidotum Mithridaticum, whence English mithridate. Pliny the Elder’s version comprised 54 ingredients to be placed in a flask and matured for at least two months. After Mithridates’ death in 63 BC, many imperial Roman physicians claimed to possess and improve on the original formula, which they touted as Mithradatium. In keeping with most medical practices of his era, Mithridates’ anti-poison routines included a religious component they were supervised by the Agari, a group of Scythian shamans who never left him. Mithridates was reportedly guarded in his sleep by a horse, a bull, and a stag, which would whinny, bellow, and bleat whenever anyone approached the royal bed.

In Pliny the Elder’s account of famous polyglots, Mithridates could speak the languages of all the twenty-two nations he governed.

Mithridates VI had wives and mistresses, by whom he had various children. The names he gave his children are a representation of his Persian, Greek heritage and of his ancestry.

  1. First wife, his sister Laodice. They were married from 115/113 BC till about 90 BC. Mithridates with Laodice had various children:
    • Sons: Mithridates, Arcathius, Machares and Pharnaces II of Pontus
    • Daughters: Cleopatra of Pontus (sometimes called Cleopatra the Elder to distinguish her from her sister of the same name) and Drypetina (a diminutive form of “Drypetis”). Drypetina was Mithridates VI’s most devoted daughter. Her baby teeth never fell out, so she had a double set of teeth.
  2. Second wife, the Greek Macedonian Noblewoman, Monime. They were married from about 89/88 BC till 72/71 BC. By whom, he had:
    • Daughter: Athenais, who married King Ariobarzanes II of Cappadocia
  3. Third wife, Greek woman Berenice of Chios, married from 86–72/71 BC
  4. Fourth wife, Greek woman Stratonice of Pontus, married from after 86–63 BC
    • Son: Xiphares
  5. Fifth wife, unknown
  6. Sixth wife, Caucasian woman Hypsicratea, married from an unknown date to 63 BC

One of his mistresses was the Galatian Celtic Princess Adobogiona the Elder. By Adobogiona, Mithridates had two children: a son called Mithridates I of the Bosporus and a daughter called Adobogiona the Younger.

His sons born from his concubine were Cyrus, Xerxes, Darius, Ariarathes IX of Cappadocia, Artaphernes, Oxathres, Phoenix (Mithridates’ son by a mistress of Syrian descent) and Exipodras, named after kings of the Persian Empire, which he claimed ancestry from. His daughters born from his concubine were Nysa, Eupatra, Cleopatra the Younger, Mithridates and Orsabaris. Nysa and Mithridates, were engaged to the Egyptian Greek Pharaohs Ptolemy XII Auletes and his brother Ptolemy of Cyprus.

In 63 BC, when the Kingdom of Pontus was annexed by the Roman general Pompey the remaining sisters, wives, mistresses and children of Mithridates VI in Pontus were put to death. Plutarch writing in his lives (Pompey v.45) states that Mithridates’ sister and five of his children took part in Pompey’s triumphal procession on this return to Rome in 61 BC.

The Cappadocian Greek nobleman and high priest of the temple-state of Comana, Cappadocia Archelaus had descended from Mithridates VI. He claimed to be a son of Mithridates VI, however chronologically Archelaus may have been a maternal grandson of the Pontic King, who his father was Mithridates VI’s favorite general may have married one of the daughters of Mithridates VI.

Duggan, Alfred, He Died Old: Mithradates Eupator, King of Pontus, 1958.

Ford, Michael Curtis, The Last King: Rome’s Greatest Enemy, New York, Thomas Dunne Books, 2004, ISBN 0-312-27539-0

McGing, B. C. The Foreign Policy of Mithridates VI Eupator, King of Pontus (Mnemosyne, Supplements: 89), Leiden, Brill Academic Publishers, 1986, ISBN 90-04-07591-7

Cohen, Getzel M., Hellenistic Settlements in Europe, the Islands and Asia Minor (Berkeley, 1995).

Bekijk onze juridische kennisgeving voordat u deze database gebruikt.

Zie ook onze Credits-pagina voor informatie over gegevens waarop we voortbouwen.

De QFG Historical Database is een onderzoeksproject dat wordt uitgevoerd door Quantum Future Group Inc. (kortweg "QFG") onder toezicht van senior executive editor Laura Knight-Jadczyk met een internationale groep redactieassistenten.

De belangrijkste inspanning van het project is het onderzoeken van oude en moderne teksten en het extraheren van fragmenten die verschillende relevante gebeurtenissen beschrijven voor analyse en kartering.

Deze databank, De kroniek van de val van het Romeinse rijk (Kortom "QFG:COF" ) richt zich op een chronologische en gecategoriseerde verzameling van verschillende ecologische en sociale gebeurtenissen die gepaard gingen met de val van het Romeinse rijk.


Reign of Mithridates I

Reign of Mithridates I. Position of Bactria and Syria at his accession. His first war with Bactria. His great Expedition against the Eastern Syrian provinces, and its results. His second war with Bactria, terminating in its conquest. Extent of his Empire. Attempt of Demetrius Nicator to recover the lost Provinces fails. Captivity of Demetrius. Death of Mithridates.

The reign of Mithridates I. is the most important in the Parthian history. [PLATE 1. Fig. 3.] Receiving from his brother Phraates a kingdom of but narrow dimensions, confined (as it would seem) between the city of Charax on the one side, and the river Arius, or Hori-rud, on the other, he transformed it, within the space of thirty-seven years (which was the time that his reign lasted), into a great and nourishing Empire. It is not too much to say that, but for him, Parthia might have remained a more petty State on the outskirts of the Syrian kingdom, and, instead of becoming a rival to Rome, might have sunk shortly into obscurity and insignificance.

As commonly happens in the grand changes which constitute the turning-points of history, the way for Mithridates's vast successes was prepared by a long train of antecedent circumstances. To show how the rise of the Parthians to greatness in the middle of the second century before our era was rendered possible, we must turn aside once more from our proper subject and cast a glance at the condition of the two kingdoms between which Parthia stood, at the time when Mithridates ascended the throne.

The Bactrian monarchs in their ambitious struggles to possess themselves of the tracts south of the Paropamisus, and extending from the Heri-rud to the Sutlej and the mouths of the Indus, overstrained the strength of their State, and by shifting the centre of its power injured irretrievably its principle of cohesion. As early as the reign of Demetrius a tendency to disruption showed itself, Eucratidas having held the supreme power for many years in Bactria itself, while Demetrius exercised authority on the southern side of the mountains. It is true that at the death of Demetrius this tendency was to a certain extent checked, since Eucratidas was then able to extend his sway over almost the whole of the Bactrian territory. But the old evil recurred shortly, though in a less pronounced form. Eucratidas, without being actually supplanted in the north by a rival, found that he could devote to that portion of the Empire but a small part of his attention. The southern countries and the prospect of southern and eastern conquests engrossed him. While he carried on successful wars with the Arachotians, the Drangians, and the Indians of the Punjaub region, his hold on the more northern countries was relaxed, and they began to slip from his grasp. Incursions of the nomad Scyths from the Steppes carried fire and sword over portions of these provinces, some of which were Even, it is probable, seized and occupied by the invaders.

Such was, it would seem, the condition of Bactria under Eucratidas, the contemporary of Mithridates. In Syria, Antiochus Epiphanes had succeeded his brother Seleucus IV. (Philopator) about a year before Mithridates ascended the Parthian throne. He was a prince of courage and energy but his hands were fully occupied with wars in Egypt, Palestine, and Armenia, and the distant East could attract but a small share of his thought or attention. The claim put forward by Egypt to the possession of Coele-Syria and Palestine, promised to Ptolemy V. (it was affirmed) as a dowry with Cleopatra, the daughter of Antiochus the Great, led to hostilities in the south-west which lasted continuously for four years (B.C. 171 to B.C. 168), and were complicated during two of them with troubles in Judaea, rashly provoked by the Syrian monarch, who, unaware of the stubborn temper of the Jews, goaded them into insurrection. The war with Egypt came to an end in B.C. 168 it brought Syria no advantage, since Rome interposed, and required the restitution of all conquests. The war with the Jews had no such rapid termination. Antiochus, having not only plundered and desecrated the Temple, but having set himself to eradicate utterly the Jewish religion, and completely Hellenize the people, was met with the most determined resistance on the part of a moiety of the nation. A patriotic party rose up under devoted leaders, who asserted, and in the end secured, the independence of their country. Not alone during the remaining years of Epiphanes, but for half a century after his death, throughout seven reigns, the struggle continued Judaea taking advantage of every trouble and difficulty in Syria to detach herself more and more completely from her oppressor being a continual thorn in her side, a constant source of weakness, preventing more than anything else the recovery of her power. The triumph which Epiphanes obtained in the distant Armenia (B.C. 166-5), where he defeated and captured the king, Artaxias, was a poor set-off against the foe which he had created to himself at his doors through his cruelty and intolerance.

In another quarter, too, the Syrian power received a severe shake through the injudicious violence of Epiphanes. The Oriental temples had, in some instances, escaped the rapacity of Alexander's generals and "Successors" their treasuries remained unviolated, and contained large hoards of the precious metals. Epiphanes, having exhausted his own exchequer by his wars and his lavish gifts, saw in these un-plundered stores a means of replenishing it, and made a journey into his south-eastern provinces for the purpose. The natives of Elymais, however, resisted his attempt, and proved strong enough to defeat it the baffled monarch retired to Tabae, where he shortly afterward fell sick and died. In the popular belief his death was a judgment upon him for his attempted sacrilege and in the exultation caused by the event the bands which joined these provinces to the Empire must undoubtedly have been loosened.

Nor did the removal of Epiphanes (B.C. 164) improve the condition of affairs in Syria. The throne fell to his son, Antiochus Eupator, a boy of nine, according to Appian, or, according to another authority, of twelve years of age. The regent, Lysias, exercised the chief power, and was soon engaged in a war with the Jews, whom the death of Epiphanes had encouraged to fresh efforts. The authority of Lysias was further disputed by a certain Philip, whom Epiphanes, shortly before his death, had made tutor to the young king. The claims of this tutor to the regent's office being supported by a considerable portion of the army, a civil war arose between him and Lysias, which raged for the greater part of two years (B.C. 163-2), terminating in the defeat and death of Philip. But Syrian affairs did not even then settle down into tranquillity. A prince of the Seleucid house, Demetrius by name, the son of Seleucus IV., and consequently the first cousin of Eupator, was at this time detained in Rome as a hostage, having been sent there during his father's lifetime as a security for his fidelity. Demetrius, with some reason, regarded his claim to the Syrian throne as better than that of his cousin, the son of the younger brother, and being in the full vigor of early youth, he determined to assert his pretensions in Syria, and to make a bold stroke for the crown. Having failed to obtain the Senate's consent to his quitting Italy, he took his departure secretly, crossed the Mediterranean in a Carthaginian vessel, and, landing in Asia, succeeded within a few months in establishing himself as Syrian monarch.

From this review it sufficiently appears that the condition of things, both in Syria and Bactria, was favorable to any aspirations which the power that lay between them might entertain after dominion and self-aggrandizement. The Syrian and Bactrian kings, at the time of Mithridates's accession, were, both of them, men of talent and energy but the Syrian monarch was soon involved in difficulties at home, while the Bactrian had his attention attracted to prospects of advantage in a remote quarter, Mithridates might, perhaps, have attacked the territory of either with an equal chance of victory and as his predecessor had set him the example of successful warfare on his western frontier, we might have expected his first efforts to have been in this direction, against the dependencies of Syria. But circumstances which we cannot exactly trace determined his choice differently. While Eucratidas was entangled in his Indian wars, Mithridates invaded the Bactrian territory where it adjoined Parthia, and added to his Empire, after a short struggle, two provinces, called respectively Turiua and that of Aspionus. It is conjectured that these provinces lay towards the north and the north-west, the one being that of the Turanians proper, and the other that of the Aspasiacae, who dwelt between the Jaxartes and the Oxus. But there is scarcely sufficient ground for forming even a conjecture on the subject, since speculation has nothing but the names themselves to rest upon.

Successful in this quarter, Mithridates, a few years later, having waited until the Syrian throne was occupied by the boy Eupator, and the two claimants of the regency, Lysias and Philip, were contending in arms for the supreme power, made suddenly an expedition towards the west, falling upon Media, which, though claimed by the Syrian kings as a province of their Empire, was perhaps at this time almost, if not quite, independent. The Medes offered a vigorous resistance to his attack and, in the war which followed, each side had in turn the advantage but eventually the Parthian prince proved victorious, and the great and valuable province of Media Magna was added to the dominons of the Arsacidae. A certain Bacasis was appointed to govern it, whether as satrap or as tributary monarch is not apparent while the Parthian king, recalled towards home by a revolt, proceeded to crush rebellion before resuming his career of conquest.

The revolt which now occupied for a time the attention of Mithridates was that of Hyrcania. The Hyrcanians were Arians in race they were brave and high-spirited, and under the Persian monarchs had enjoyed some exceptional privileges which placed them above the great mass of the conquered nations. It was natural that they should dislike the yoke of a Turanian people and it was wise of them to make their effort to obtain their freedom before Parthia grew into a power against which revolt would be utterly hopeless. Hyrcania might now expect to be joined by the Medes, and even the Mardi, who were Arians like themselves, and could not yet have forgotten the pleasures of independence. But though the effort does not seem to have been ill-timed, it was unsuccessful. No aid was given to the rebels, so far as we hear, by any of their neighbors. Mithridates's prompt return nipped the insurrection in the bud Hyrcania at once submitted, and became for centuries the obedient vassal of her powerful neighbor.

The conquest of Media had brought the Parthians into contact with the rich country of Susiana or Elymais and it was not long before Mithridates, having crushed the Hyrcanian revolt, again advanced westward, and invaded this important province. Elymais appears to have a had a king of its own, who must either have been a vassal of the Seleucidse, or have acquired an independent position by revolt after the death of Epiphanes. In the war which followed between this monarch and Mithridates, the Elymseans proved wholly unsuccessful, and Mithridates rapidly overran the country and added it to his dominions. After this he appears to have received the submission of the Persians on the one hand and the Babylonians on the other, and to have rested on his laurels for some years, having extended the Parthian sway from the Hindoo Koosh to the Euphrates.

The chronological data which have come down to us for this period are too scanty to allow of any exact statement of the number of years occupied by Mithridates in effecting these conquests. All that can be said is that he appears to have commenced them about B.C. 163 and to have concluded them some time before B.C. 140, when he was in his turn attacked by the Syrians. Probably they had been all effected by the year B.C. 150 since there is reason to believe that about that time Mithridates found his power sufficiently established in the west to allow of his once more turning his attention eastward, and renewing his aggressions upon the Bactrian kingdom, which had passed from the rule of Eucratidas under that of his son and successor, Heliocles.

Heliocles, who was allowed by his father a quasi-royal position, obtained the full possession of the Bactrian throne by the crime of parricide. It is conjectured that he regarded with disapproval his father's tame submission to Parthian ascendency, and desired the recovery of the provinces which Eucratidas had been content to cede for the sake of peace. We are told that he justified his crime on the ground that his father was a public enemy which is best explained by supposing that he considered him the friend of Bactria's great enemy, Parthia. If this be the true account of the circumstances under which he became king, his accession would have been a species of challenge to the Parthian monarch, whose ally he had assassinated. Mithridates accordingly marched against him with all speed, and, easily defeating his troops, took possession of the greater part of his dominion. Elated by this success, he is said to have pressed eastward, to have invaded India, and overrun the country as far as the river Hydaspes, but, if it be true that his arms penetrated so far, it is, at any rate, certain that he did not here effect any conquest. Greek monarchs of the Bactrian series continued masters of Oabul and Western India till about B.C. 126 no Parthian coins are found in this region nor do the best authorities claim for Mithridates any dominion beyond the mountains which enclose on the west the valley of the Indus.

By his war with Heliocles the empire of Mithridates reached its greatest extension. It comprised now, besides Parthia Proper, Bactria, Aria, Drangiana, Arachosia, Margiana, Hyrcania, the country of the Mardi, Media Magna, Susiana, Persia and Babylonia. Very probably its limits were still wider. The power which possessed Parthia, Hyrcania, and Bactria, would rule almost of necessity over the whole tract between the Elburz range and the Oxus, if not even over the region between the Oxus and the Jaxartes that which held the Caspian mountains and eastern Media could not fail to have influence over the tribes of the Iranic desert while Assyria Proper would naturally follow the fortunes of Babylonia and Susiana. Still the extent of territory thus indicated rests only on conjecture. If we confine ourselves to what is known by positive evidence, we can only say that the Parthian Kingdom of this period contained, at least, twelve provinces above enumerated. It thus stretched from east to west a distance of fifteen hundred miles between the Suleiman mountains and the Euphrates, varying in width from three or four hundred miles&mdashor even more&mdashtowards the west and east, to a narrow strip of less than a hundred miles toward the centre. It probably comprised an area of about 450,000 square miles which is somewhat less than that of the modern Persia.

Unlike the modern Persia, however, the territory consisted almost entirely of productive regions. The excellent quality of the soil in Parthia Proper, Hyrcania, and Margiana, has been already noticed. Bactria, the next province to Margiana towards the east, was less uniformly fertile but still it contained a considerable proportion of good land along the course of the Oxus and its tributaries, which was cultivated in vineyards and cornfields, or else pastured large herds of cattle. The Mardian mountain territory was well wooded and the plain between the mountains and the Caspian was rich in the extreme. Media, where it adjoined on the desert, was comparatively sterile but still even here an elaborate system of artificial irrigation brought a belt of land under culture. Further west, in the Zagros chain, Media comprised some excellent pasture lands, together with numerous valleys as productive as any in Asia. Elymais was, in part, of the same character with the mountainous portion of Media, while beyond the mountain it sank down into a rich alluvium, not much inferior to the Babylonian. Babylonia itself was confessedly the most fertile country in Asia. It produced wheat, barley, millet, sesame, vetches, dates, and fruits of all kinds. The return of the wheat crop was from fifty to a hundred-and-fifty-fold while that of the barley crop was three hundred-fold. The dates were of unusual size and superior flavor and the palm, which abounded throughout the region, furnished an inexhaustible supply both of fruit and timber.


Bekijk de video: The First Mithridatic War. 89 - 85 BC. Roman History (Mei 2022).