Geschiedenis Podcasts

Verkenning en vestiging van Delaware

Verkenning en vestiging van Delaware

De vroege geschiedenis van Delaware is er een van conflicten tussen Nederlandse en Engelse troepen, waarbij de Zweden een minder grote rol spelen. De Nederlandse claim op het gebied werd in 1609 opgericht door Henry Hudson toen hij Delaware Bay binnenvoer op zoek naar een noordwestelijke doorgang. Argall noemde een van de landtongen voor de gouverneur van Virginia De La Warr, een naam die later werd gecontracteerd en toegepast op een rivier, een baai, een Indiaanse stam en de kolonie als geheel.In 1623 begon de Nederlandse West-Indische Compagnie haar betrokkenheid bij de Nieuwe Wereld en toonde duidelijk een voorkeur voor handelsondernemingen boven nederzettingen. Voormalig gouverneur van Nieuw-Amsterdam, Peter Minuit, kreeg in 1638 Zweedse steun om Fort Christina te stichten in Nieuw-Zweden, een jonge kolonie (in de buurt van Wilmington).

Nederlandse belangen in het gebied werden bevorderd in 1651 toen Peter Stuyvesant van Nieuw-Amsterdam Fort Casimir (in de buurt van New Castle) bouwde. Drie jaar later voerden Zweedse troepen een verrassingsaanval uit en namen het fort in, om het in 1655 weer aan de Nederlanders te verliezen toen Stuyvesant heel Nieuw-Zweden veroverde.

De Nederlandse controle in Delaware duurde slechts ongeveer 10 jaar. De hertog van York (later Jacobus II) nam in 1664 het hele gebied, inclusief Nieuw-Nederland, in. te beschouwen als een gebied dat zich onderscheidt van aangrenzende gebieden.

In 1682 schonk de hertog de drie graafschappen aan William Penn, die zijn kolonie voorzag van de Atlantische Oceaan. Veel bewoners hadden een hekel aan de verandering omdat ze Pennsylvania als een bed van radicalisme beschouwden, maar ze waren verzacht door het besluit van Penn om de drie provincies een gelijke vertegenwoordiging in de vergadering te geven. Naarmate Pennsylvania groeide, vreesden de provincies verlies van invloed. Penn reageerde in 1701 door hen een nieuw handvest te verlenen dat de instelling van een afzonderlijke vergadering machtigde. De eerste vergadering kwam in 1704 bijeen, maar het gebied bleef tot 1776 onder controle van de gouverneur van Pennsylvania.

Penn en Lord Baltimore van Maryland twistten jarenlang over de grenzen van Delaware. In de jaren 1760 werden de grenzen onderzocht door de Engelse wetenschappers, Charles Mason en Jeremiah Dixon.


Zie ook de vroege geschiedenis van Pennsylvania.


De kolonie van Delaware

De Nederlanders stichtten de eerste Europese nederzetting in Delaware in Lewes (toen nog Zwaanendael genoemd) in 1631. Ze zetten snel een handel in beverbont op met de indianen, die binnen korte tijd de nederzetting binnenvielen en verwoestten na een meningsverschil tussen de twee groepen . Er werd pas in 1638 een permanente nederzetting gesticht - door Zweden in Fort Christina (nu Wilmington) als onderdeel van hun kolonie Nieuw-Zweden, zouden ze daar Amerika's eerste blokhutten hebben gebouwd. De Nederlanders uit Nieuw Amsterdam (New York) versloegen de Zweden in 1655, en de Engelsen veroverden de kolonie op de Nederlanders in 1664. Daarna, met uitzondering van een korte Nederlandse herovering in 1673, werd Delaware bestuurd als onderdeel van New York tot 1682, toen de hertog van York (de toekomstige James II) stond het af aan William Penn, die het wilde zodat zijn kolonie Pennsylvania toegang zou hebben tot de oceaan. Hoewel Penn probeerde de graafschappen van Delaware te verenigen met Pennsylvania, hadden beide partijen een hekel aan de vakbond. In 1704 stond hij Delaware een eigen vergadering toe. Pennsylvania en Delaware deelden een benoemde gouverneur tot de Amerikaanse Revolutie. Pas in 1776 werd de naam Delaware - afgeleid van Thomas West, 12e baron de la Warr, een gouverneur van Virginia - officieel, hoewel hij in 1610 op de baai was toegepast en daarna geleidelijk op het aangrenzende land.

Tijdens de eigendom van de familie Penn kwamen leden van de Society of Friends (Quakers) naar het noordelijke deel van Delaware omdat het dicht bij Philadelphia lag en goede landbouwgrond bood. Quaker-kooplieden vestigden de stad Wilmington in 1739. Een andere groep nieuwkomers waren de Schots-Ieren, die hun Presbyteriaanse religie en een nadruk op onderwijs met zich meebrachten. In 1743 richtte Francis Alison, een presbyteriaanse predikant, een school op die de basis werd voor de latere Universiteit van Delaware. Zuid-Delaware werd grotendeels bevolkt door Engelsen, velen afkomstig uit het nabijgelegen Maryland, en door Afrikanen, die werden geïntroduceerd als slaven om het land te ontginnen en de boerderijen te bewerken. Tegen het einde van de 18e eeuw vonden rondtrekkende methodistische predikers veel bekeerlingen onder zowel zwarte als blanke inwoners van Zuid-Delaware.


Inhoud

Tegen het midden van de 17e eeuw had het rijk van Zweden zijn grootste territoriale omvang bereikt en was het een van de grote mogendheden van Europa. Zweden omvatte toen Finland en Estland, samen met delen van het moderne Rusland, Polen, Duitsland en Letland onder koning Gustaaf Adolf en later Christina. De Zweden probeerden hun invloed uit te breiden door een plantage (tabak) en een pelshandelkolonie te creëren om Franse en Engelse kooplieden te omzeilen. [ citaat nodig ]

De Zweedse Zuid-compagnie werd opgericht in 1626 met een mandaat om kolonies te stichten tussen Florida en Newfoundland voor handelsdoeleinden, met name langs de Delaware-rivier. Het charter omvatte Zweedse, Nederlandse en Duitse aandeelhouders onder leiding van bestuurders van de New Sweden Company, waaronder Samuel Blommaert. [3] [4] Het bedrijf sponsorde 11 expedities in 14 afzonderlijke reizen naar Delaware tussen 1638 en 1655, waarvan er twee niet overleefden.

De eerste Zweedse expeditie naar Amerika voer eind 1637 vanuit de haven van Göteborg, georganiseerd en onder toezicht van Clas Fleming, een Zweedse admiraal uit Finland. De Vlaams-Nederlandse Samuel Blommaert assisteerde bij de inrichting en benoemde Peter Minuit (de voormalige gouverneur van Nieuw-Amsterdam) om de expeditie te leiden. De expeditie zeilde Delaware Bay binnen aan boord van de Fogel Grip en Kalmar Nyckel, die binnen het door de Nederlanders opgeëiste grondgebied lagen. Ze passeerden eind maart 1638 [5] Cape May en Cape Henlopen en gingen op 29 maart voor anker op een rotsachtig punt op de Minquas Kill dat tegenwoordig bekend staat als Swedes' Landing. Ze bouwden een fort in Wilmington dat ze Fort Christina noemden naar koningin Christina. [6]

In de daaropvolgende jaren werd het gebied gekoloniseerd door 600 Zweden en Finnen, een aantal Nederlanders, een paar Duitsers, een Deen en minstens één Est, [7] en Minuit werd de eerste gouverneur van de kolonie Nieuw-Zweden. Hij was de derde directeur van Nieuw-Amsterdam geweest en hij wist dat de Nederlanders het gebied ten zuiden van de Delaware-rivier en de baai hadden opgeëist. De Nederlanders hadden echter hun kolonisten na enkele jaren teruggetrokken uit het gebied om zich te concentreren op de nederzetting op Manhattan Island. [8]

Gouverneur Minuit landde op de westelijke oever van de rivier en verzamelde de sachems van de Delawares en Susquehannocks. Ze hielden een conclaaf in de hut van Minuit op de Kalmar Nyckel, en hij haalde hen over om akten te ondertekenen die hij had voorbereid om elk probleem met de Nederlanders op te lossen. De Zweden beweerden dat het gekochte land land omvatte aan de westkant van de South River, net onder de Schuylkill River in Philadelphia, het zuidoosten van Pennsylvania, Delaware en de kust van Maryland. Delaware Sachem Mattahoon beweerde later dat de aankoop slechts zoveel land omvatte als was opgenomen in een gebied dat werd gemarkeerd door "zes bomen", en dat de rest van het land dat door de Zweden werd bezet, was gestolen. [9]

Willem Kieft maakte bezwaar tegen de landing van de Zweden, maar Minuit negeerde hem omdat hij wist dat de Nederlanders op dit moment militair zwak waren. Minuit voltooide Fort Christina in 1638 en voer vervolgens naar Stockholm om de tweede groep kolonisten te brengen. Hij maakte een omweg naar het Caribisch gebied om een ​​lading tabak op te halen om in Europa te verkopen om de reis winstgevend te maken. Hij stierf echter op deze reis tijdens een orkaan bij St. Christopher in het Caribisch gebied. De officiële taken van de gouverneur van Nieuw-Zweden werden uitgevoerd door kapitein Måns Nilsson Kling, totdat een nieuwe gouverneur werd gekozen en twee jaar later uit Zweden arriveerde. [10]

Het bedrijf breidde zich langs de rivier uit van Fort Christina onder leiding van Johan Björnsson Printz, gouverneur van 1643 tot 1653. Ze vestigden Fort Nya Elfsborg op de oostelijke oever van de Delaware bij Salem, New Jersey en Fort Nya Gothenborg op Tinicum Island tot de onmiddellijke zuidwesten van Philadelphia. Hij bouwde ook zijn landhuis The Printzhof bij Fort Nya Gothenborg, en de Zweedse kolonie bloeide een tijdlang. In 1644 steunde Nieuw-Zweden de Susquehannocks in hun oorlog tegen de kolonisten van Maryland. [11] In mei 1654 veroverden soldaten uit Nieuw-Zweden onder leiding van gouverneur Johan Risingh Fort Casimir en noemden het Fort Trinity (Trefaldigheten in het Zweeds). [ citaat nodig ]

Zweden opende de Tweede Noordse Oorlog in de Oostzee door het Pools-Litouwse Gemenebest aan te vallen, en de Nederlanders stuurden een gewapend eskader van schepen onder directeur-generaal Peter Stuyvesant om Nieuw-Zweden te veroveren. In de zomer van 1655 marcheerden de Nederlanders met een leger naar de Delaware River en veroverden gemakkelijk Fort Trinity en Fort Christina. De Zweedse nederzetting werd formeel opgenomen in Nederlands Nieuw-Nederland op 15 september 1655, hoewel de Zweedse en Finse kolonisten lokale autonomie kregen. Ze behielden hun eigen militie, religie, rechtbank en land. [12] Dit duurde tot de Engelse verovering van Nieuw Nederland, gelanceerd op 24 juni 1664. De hertog van York verkocht New Jersey aan John Berkeley en George Carteret om een ​​eigen kolonie te worden, los van de geplande kolonie New York. De invasie begon op 29 augustus 1664 met de verovering van Nieuw Amsterdam en eindigde met de verovering van Fort Casimir (New Castle, Delaware) in oktober. Dit vond plaats aan het begin van de Tweede Engelse Oorlog. [13]

Nieuw-Zweden bleef onofficieel bestaan, en enige immigratie en expansie gingen door. De eerste nederzetting in Wicaco begon in 1669 met een Zweedse blokhut op Society Hill in Philadelphia. Het werd later als kerk gebruikt tot ongeveer 1700, toen de Gloria Dei (oude Zweden) kerk van Philadelphia op de plaats werd gebouwd. [14] Nieuw-Zweden kwam uiteindelijk tot een einde toen zijn land op 24 augustus 1682 werd opgenomen in William Penns handvest voor Pennsylvania. [ citaat nodig ]

Hoarkill, New Amstel en Upland Edit

Het begin van de Derde Engels-Nederlandse Oorlog resulteerde in de Nederlandse herovering van Nieuw-Nederland in augustus 1673. Ze herstelden de status die voorafging aan de Engelse verovering en legden deze vast in de oprichting van drie provincies: Hoarkill County, [15] New Amstel County , [15] en Upland County, dat later werd verdeeld tussen New Castle County, Delaware, en de kolonie Pennsylvania. [15] De drie provincies werden opgericht op 12 september 1673, de eerste twee aan de westelijke oever van de Delaware-rivier en de derde aan beide zijden van de rivier. [ citaat nodig ]

Het Verdrag van Westminster van 1674 maakte een einde aan de tweede periode van Nederlandse controle en vereiste dat ze op 29 juni heel Nieuw-Nederland aan de Engelsen moesten teruggeven, inclusief de drie provincies die ze hadden gecreëerd. [16] Na de balans opgemaakt te hebben, verklaarden de Engelsen op 11 november dat de nederzettingen aan de westkant van de Delaware River en Delaware Bay afhankelijk zouden zijn van de Provincie New York, inclusief de drie Counties. [17] Deze verklaring werd gevolgd door een verklaring die Nieuwe Amstel herdoopte tot Nieuw Kasteel. De andere graafschappen behielden hun Nederlandse naam. [17]

De volgende stap in de assimilatie van Nieuw-Zweden in New York was de uitbreiding van de wetten van de hertog in de regio op 22 september 1676. [18] Dit werd gevolgd door de opdeling van enkele Upland Counties om te voldoen aan de grenzen van Pennsylvania en Delaware , waarbij het grootste deel van het Delaware-gedeelte op 12 november 1678 naar New Castle County ging. [19] De rest van Upland bleef op zijn plaats onder dezelfde naam. Op 21 juni 1680 werden New Castle en Hoarkill Counties verdeeld om St. Jones County te produceren. [20]

Op 4 maart 1681 werd de kolonie Nieuw-Zweden formeel verdeeld in de kolonies Delaware en Pennsylvania. De grens werd vastgesteld op 12 mijl ten noorden van New Castle en de noordelijke grens van Pennsylvania werd vastgesteld op 42 graden noorderbreedte. De oostelijke grens was de grens met New Jersey aan de Delaware River, terwijl de westelijke grens ongedefinieerd was. [21] In juni 1681 hield Upland op te bestaan ​​als gevolg van de reorganisatie van de Kolonie van Pennsylvania, waarbij de regering van Upland de regering van Chester County, Pennsylvania werd. [ citaat nodig ]

Op 24 augustus 1682 droeg de hertog van York het westelijke deel van de Delaware River over aan William Penn, inclusief Delaware, en bracht aldus Deale County en St. Jones County over van New York naar Delaware. St. Jones County werd omgedoopt tot Kent County, Deale County werd omgedoopt tot Sussex County, en New Castle County behield zijn naam. [22]

Historicus H. Arnold Barton heeft gesuggereerd dat de grootste betekenis van Nieuw-Zweden de sterke en blijvende interesse in Amerika was die de kolonie in Zweden opwekte, [23] hoewel grote Zweedse immigratie pas in de late 19e eeuw plaatsvond. Van 1870 tot 1910 arriveerden meer dan een miljoen Zweden in Amerika, met name in Minnesota en andere staten van de Upper Midwest. Sporen van Nieuw-Zweden blijven bestaan ​​in de lagere Delaware-vallei, waaronder Holy Trinity Church in Wilmington, Delaware, Gloria Dei Church en St. James Kingsessing Church in Philadelphia, Trinity Episcopal Church in Swedesboro, New Jersey, en Christ Church in Swedesburg, Pennsylvania. Al die kerken zijn algemeen bekend als "Old Swedes' Church". [24] Christiana, Delaware is een van de weinige nederzettingen in het gebied met een Zweedse naam, en Upland overleeft als Upland, Pennsylvania. Swedesford Road is nog steeds te vinden in Chester en Montgomery Counties, Pennsylvania, hoewel Swedesford al lang Norristown is geworden. Het Amerikaans Zweeds Historisch Museum in Zuid-Philadelphia herbergt vele tentoonstellingen, documenten en kunstvoorwerpen uit de kolonie Nieuw-Zweden. [25]

Misschien wel de grootste bijdrage van Nieuw-Zweden aan de ontwikkeling van de Nieuwe Wereld is de traditionele Finse bouwtechniek voor huizen in het bos. De kolonisten van Nieuw-Zweden brachten de blokhut mee, die zo'n icoon van de Amerikaanse grens werd dat het algemeen wordt beschouwd als een Amerikaans bouwwerk. [26] [27] Het C. A. Nothnagle Log House aan Swedesboro-Paulsboro Road in Gibbstown, New Jersey is een van de oudste nog bestaande blokhutten in de Verenigde Staten. [28] [29]

De kolonisten kwamen uit het hele Zweedse rijk. Het percentage Finnen in Nieuw-Zweden groeide vooral tegen het einde van de kolonisatieperiode. [30] Finnen vormden tijdens de Zweedse heerschappij 22 procent van de bevolking en stegen tot ongeveer 50 procent nadat de kolonie onder Nederlands bestuur kwam. [31] Een contingent van 140 Finnen arriveerde in 1664. Het schip Mercurius zeilde naar de kolonie in 1665, en 92 van de 106 passagiers werden vermeld als Finnen. De herinnering aan de vroege Finse nederzetting leefde voort in plaatsnamen in de buurt van de Delaware-rivier, zoals Finland (Marcus Hook), Torne, Lapland, Finns Point, Mullica Hill en Mullica River. [32]

Een deel van deze Finnen stond bekend als Forest Finnen, mensen van Finse afkomst die in de bosgebieden van Midden-Zweden hadden gewoond. De Woud-Finnen waren van het einde van de 16e tot het midden van de 17e eeuw verhuisd van Savonia in Oost-Finland naar Dalarna, Bergslagen en andere provincies in Midden-Zweden. Hun verhuizing was begonnen als onderdeel van een poging van de Zweedse koning Gustav Vasa om de landbouw uit te breiden naar deze onbewoonde delen van het land. De Finnen in Savonia bewerkten traditioneel met een slash-and-burn-methode die beter geschikt was voor baanbrekende landbouw in uitgestrekte bosgebieden. Dit was ook de landbouwmethode die werd gebruikt door de Amerikaanse Indianen van Delaware. [33]


Verkenning en vestiging van Delaware - Geschiedenis

Small Planet Communications, Inc. + 15 Union Street, Lawrence, MA 01840 + (978) 794-2201 + Contact

Delaware (voorheen Nieuw-Zweden), bestaande uit slechts drie kleine provincies, trok veel aandacht, hebzucht en strijd in de 17e en 18e eeuw. Delaware ligt op een wenselijke en strategische locatie aan de monding van de Delaware-rivier aan de westelijke oever van Chesapeake Bay.

Delaware worstelde om zijn plaats op de koloniale kaart, maar het was een kolonie die bestemd was voor machtige daden. Toen de tijd kwam om te vechten voor de onafhankelijkheid van de dertien koloniën, beantwoordde Delaware de oproep moedig.

Lees meer over de staat Delaware.

Vóór de komst van de eerste Europese kolonisten, werd de Delaware River Valley bewoond door een groep Amerikaanse Indianen genaamd de Lenni Lenape, wat 'oorspronkelijke mensen' betekent. Omgedoopt tot "Delaware" door Europese kolonisten, bestond de Lenni Lenape-stam uit drie grote groepen die zich vestigden tussen het zuiden van New York en het noorden van Delaware. De meest zuidelijke groep leefde langs het noordelijke deel van het huidige Delaware. De Nanticoke-mensen woonden in het zuidwesten van Delaware langs de Nanticoke-rivier. De Minqua kwamen uit Pennsylvania om bont te verhandelen langs de Delaware River.

Leer meer over de inheemse bewoners
van Delaware, de Lenape-indianen.

WIST U?
Op 7 december 1787, Delaware
was de eerste staat die de
Amerikaanse grondwet en word lid van de vakbond.
Klik om meer Delaware primeurs te lezen.

Aangenomen wordt dat de Spanjaarden en Portugezen in het begin van de 16e eeuw de kustlijn van Delaware hebben verkend. Henry Hudson, een Engelse ontdekkingsreiziger ingehuurd door de Verenigde Oost-Indische Compagnie, ontdekte in 1609 wat bekend zou worden als de Delaware River en de Delaware Bay. Hij verkende het gebied echter niet. Een jaar later werd kapitein Samuel Argall - dezelfde Engelsman die Pocahontas had gekidnapt - uit zijn koers geblazen en zeilde hij de Delaware Bay binnen. Hij noemde een land op de westelijke oever Cape De la Warr, ter ere van Thomas West, Lord De la Warr, de eerste gouverneur van de Engelse kolonie Virginia. De rivier en de baai van Delaware werden voor het eerst grondig verkend door kapitein Cornelius Hendricksen. In zijn dagboek noteerde Hendricksen handel met Amerikaanse Indianen voor verschillende soorten bont en huiden, waaronder sabelmarter, otter, nerts en beren.

In 1631 werd de eerste Europese nederzetting geprobeerd toen de Nederlandse West-Indische Compagnie, in samenwerking met een Nederlandse koopvaardijkapitein genaamd David Pietersen de Vries, een tabaksteelt en walvisvangst vestigde in Zwaanendael nabij de huidige stad Lewes. Binnen het eerste jaar werd de nederzetting verwoest en werden de inwoners afgeslacht in wat vermoedelijk het resultaat was van een geschil dat begon over de diefstal van een tinnen plaat met het Nederlandse wapen.

De Kalmar Nyckel, het lange schip van
Delaware, vertrek vanuit Zweden
in 1637 met 24 passagiers naar
vestig de eerste permanente
nederzetting in de Delaware Valley,
Nieuw Zweden.

In tegenstelling tot de meeste Engelse bedrijven hoopte de West-Indische Compagnie de handel uit te breiden in plaats van kolonies te stichten. Daarentegen vormden Zweedse, Nederlandse en Duitse aandeelhouders in 1637 de New Sweden Company om een ​​kolonie te stichten. Verschillende leden van de West-Indische Compagnie boden hun diensten aan bij de New Sweden Company. Een van hen, Peter Minuit, de voormalige directeur-generaal van Nieuw-Nederland, leidde een expeditie van kolonisten uit Zweden en vertrok eind 1637 op de Kalmar Nyckel en Fogel Grip.

Ze arriveerden in maart 1638 en de expeditie bouwde een versterkte handelspost op de plaats van het huidige Wilmington. Het werd Fort Christina genoemd ter ere van de 12-jarige koningin van Zweden. Minuit bemachtigde een akte van de Amerikaanse Indianen voor het land dat zich noordwaarts uitstrekt van Bombay Hook tot de Schuylkill-rivier, die uitmondt in de Delaware-rivier in wat nu Philadelphia is. Het gebied kreeg de naam Nieuw-Zweden.

In de loop van de volgende 17 jaar arriveerden meer dan een dozijn expedities in Nieuw-Zweden, met Zweedse, Finse en Nederlandse emigranten en voorraden. Er werd extra land aangekocht en de kolonie verspreidde zich naar beide zijden van de Delaware-rivier.

Nieuw-Zweden bloeide tijdens het gouverneurschap van Johan Björnsson Printz (1643-1653). De kolonisten bouwden forten, molens en huizen langs de Delaware-rivier. De handel met lokale Indiaanse groepen floreerde en veel kolonisten plantten tabak.

WIST U?

Blokhutten werden voor het eerst geïntroduceerd in
Amerika door de Zweden in Delaware.

In 1651 probeerde de Nederlandse West-Indische Compagnie de controle over Nieuw-Zweden te krijgen, in de overtuiging dat het bedrijf nog steeds de rechten op het gebied had. Peter Stuyvesant, gouverneur van Nieuw Nederland, leidde de Nederlandse troepen bij de bouw van Fort Casimir op het huidige New Castle. Onder het bestuur van de laatste gouverneur van de kolonie, Johan Rising, veroverde Nieuw-Zweden het fort in 1654. Stuyvesant keerde het jaar daarop in grotere aantallen terug en nam het hele grondgebied terug, inclusief het fort. Deze daad beëindigde effectief de Zweedse invloed en deelname aan de kolonisatie van Noord-Amerika.

De Engelsen en de Nederlanders waren voortdurend in concurrentie met elkaar over handel en koloniën in Noord-Amerika. Deze spanningen leidden uiteindelijk tot een reeks oorlogen tussen hen, die werden uitgevochten tussen 1652 en 1674. In 1664 nam Engeland heel Nieuw-Nederland en de Nederlandse bezittingen in de Delaware Valley over. Dit leidde tot de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, die in 1667 resulteerde in het bezit van de Nederlandse gebieden door Engeland. De hertog van York annexeerde Delaware en werd 18 jaar lang bestuurd door Engeland als onderdeel van de kolonie New York (voorheen Nieuw Nederland) . Zweedse en Finse inwoners mochten hun land behouden, hun eigen religie praktiseren en geregeerd worden door hun eigen rechtssysteem. Kolonisten uit Engeland en uit omliggende Engelse koloniën verhuisden naar Delaware, waardoor de bevolking snel toenam.

Lees over William Penn,
oprichter van Pennsylvania en
eigenaar van Delaware voor een
korte periode.

In 1682 vroeg William Penn, een quaker die de naburige kolonie Pennsylvania stichtte, land van Engeland voor een zeeroute naar Pennsylvania. De hertog van York stemde ermee in en verleende Penn al het land tussen New Castle en Cape Henlopen, waaronder het grootste deel van wat nu Delaware is. Delaware kwam toen onder de eigendom van Penn, maar het werd afzonderlijk van Pennsylvania beheerd als een afzonderlijke entiteit die de 'drie graafschappen van Delaware' of de 'lagere graafschappen' werd genoemd. Charles Calvert, of Lord Baltimore, had de kolonie Maryland gesticht en had tegen William Penn gevochten, omdat hij het land langs de Delaware-rivier voor zichzelf opeiste. Zijn claim werd afgewezen door Engeland, wat leidde tot een langlopend geschil tussen Penn en Baltimore (en latere generaties invloedrijke mensen in Maryland en Pennsylvania) over grenskwesties. Het argument over de grens tussen Maryland en Delaware werd uiteindelijk in 1769 tot rust gebracht met de afbakening van de Mason-Dixon-lijn.

Penn tekende een vredesverdrag met de Lenni Lenape in 1682, en er vond geen verder conflict plaats tussen Amerikaanse Indianen en de kolonisten van Delaware tot de Franse en Indische Oorlog in 1754. Veel van de Delaware Indianen waren naar het westen getrokken in een poging de blanke nederzetting voor te blijven , en de meesten van hen woonden al in Ohio tegen de tijd dat de Franse en Indische Oorlog langs de kust uitbrak.

De mensen van Delaware wilden onafhankelijkheid van de sterke invloed van de grote populatie Quakers in Pennsylvania. De Quakers, of Society of Friends, was een religieus orgaan dat Philadelphia domineerde, en de mensen van Delaware vreesden de snelle economische groei van de kolonie Pennsylvania. Ze waren evenmin bereid om eigendom te worden van Lord Baltimore en Maryland.

Ten slotte werd de oprichting van een aparte vergadering toegekend aan de bevolking van Delaware. De stad New Castle was gastheer van de eerste vergadering in 1704 en diende als de hoofdstad van Delaware. Terwijl de vergadering wetten aannam en beslissingen nam over de economie en de regering in de drie provincies van Delaware, stond de kolonie technisch gezien nog steeds onder het gezag van de gouverneur van Pennsylvania.

Meer informatie over de 1999
herdenkingsmunt Delaware
staat kwartaal.

Verken feiten en symbolen
van Delaware.

Delaware was de beslissende staat in het al dan niet uitroepen van de onafhankelijkheid van Groot-Brittannië. Er werd geschiedenis geschreven toen een afgevaardigde genaamd Caesar Rodney zijn paard van Delaware naar Philadelphia bereed om Delaware te stemmen voor onafhankelijkheid van Groot-Brittannië. Rijdend door donder, bliksem en een hittegolf, wordt Rodney's daad van moed afgebeeld op de herdenkingsmunt Delaware State Quarter uitgegeven door de United States Mint in 1999.


Pennsylvania en Delaware

William Penn stichtte de Pennsylvania Colony in 1681 en bracht Quaker-dissidenten over uit Engeland, Wales, Nederland en Frankrijk.

Leerdoelen

Onderzoek de religieuze en sociale factoren die de oprichting van de kolonie Pennsylvania en Delaware hebben gevormd

Belangrijkste leerpunten

Belangrijkste punten

  • William Penn stichtte in 1681 bij koninklijk handvest de provincie Pennsylvania, ook bekend als Pennsylvania Colony, in Brits-Amerika.
  • Het land van Delaware werd eerst gecontroleerd door de Zweden, toen de Nederlanders en ten slotte de Britten in Pennsylvania.
  • De Lenape en Susquehanna bezetten het land voorafgaand aan de kolonisatie.
  • Het Handvest van Privileges verplicht tot eerlijke omgang met Amerikaanse Indianen. Quakers gingen aanvankelijk respectvol om met de Lenape en Susquehanna, maar toekomstige zoektochten naar land door de Britse regering leidden tot geweld en vijandigheid.
  • Quakers waren de eerste kolonisten van Pennsylvania. Het Handvest van voorrechten breidde godsdienstvrijheid uit tot alle monotheïsten, en de regering stond aanvankelijk open voor alle christenen.

Sleutelbegrippen

  • Quakers: Leden van het Religieus Genootschap van Vrienden, ook wel Vriendenkerk genoemd.
  • William Penn: Een Engelse vastgoedondernemer, filosoof en oprichter van de provincie Pennsylvania, de Engelse Noord-Amerikaanse kolonie en het toekomstige Gemenebest van Pennsylvania.
  • Lagere Provincies: Een andere term voor Delaware Colony in de Noord-Amerikaanse Midden-Kolonies van 1682 tot 1776.

De oprichting van Pennsylvania en Delaware

In 1681 stichtte William Penn bij koninklijk handvest de provincie Pennsylvania, ook bekend als Pennsylvania Colony, in Brits Amerika. Penn ontving het handvest voor Pennsylvania van Charles II en bracht Quaker-dissidenten over uit Engeland, Wales, Nederland en Frankrijk. De koloniale regering, opgericht in 1682 door Penn's Frame of Government, bestond uit een benoemde gouverneur, de eigenaar, een Provinciale Raad en een grotere Algemene Vergadering.

De geboorte van Pennsylvania, 1680: William Penn, papier vasthoudend, staand en tegenover koning Charles II, in de ontbijtkamer van de koning in Whitehall.

Tussen 1669 en 1672 was Delaware een opgenomen graafschap onder de provincie Maryland. De Mason-Dixon-lijn zou de vage contouren tussen Maryland en Pennsylvania juridisch hebben opgelost en Delaware aan Pennsylvania hebben toegekend. Delaware Colony werd een regio van de provincie Pennsylvania, hoewel nooit wettelijk een aparte kolonie. Van 1682 tot 1776 maakte het deel uit van de Penn-eigendom en stond het bekend als de Lower Counties. In 1701 kreeg het een aparte vergadering van de drie hogere provincies, maar bleef dezelfde gouverneur hebben als de rest van Pennsylvania. Delaware zou uiteindelijk echter te onafhankelijk blijken te zijn, wat zou leiden tot de ultieme scheiding van Pennsylvania en een unieke pioniersstatus als de eerste staat van Amerika, gebonden aan het lot van geen van beide provincies.

William Penn had het land van Delaware gevraagd en later gekregen van de hertog van York. Penn had het moeilijk om Delaware te besturen omdat de economie en geologie grotendeels hetzelfde waren als die van de Chesapeake, in plaats van die van zijn gebied in Pennsylvania. Hij probeerde de regeringen van Pennsylvania en Delaware samen te voegen. Vertegenwoordigers van beide gebieden botsten en in 1701 stemde Penn in met twee afzonderlijke vergaderingen. Delawareans zouden elkaar ontmoeten in New Castle en Pennsylvanians zouden verzamelen in Philadelphia. Delaware bleef een soort smeltkroes en was de thuisbasis van Zweden, Finnen, Nederlanders en Fransen, naast de Engelsen, die de dominante cultuur vormden.


Sussex County, Delaware - Geschiedenis - Europese nederzetting

Sussex County was de plaats van de eerste Europese nederzetting in Delaware, een handelspost genaamd Zwaanendael op de huidige locatie van Lewes. Op 3 juni 1631 landde de Nederlandse kapitein David Pietersen de Vries langs de oevers van de Delaware om een ​​walviskolonie te stichten in het midden van de Atlantische Oceaan van de Nieuwe Wereld. De kolonie duurde slechts tot 1632, toen De Vries vertrok. Toen hij in december terugkeerde naar Zwaanendael, ontdekte hij dat de indianenstammen zijn mannen hadden gedood en de kolonie hadden verbrand. De Nederlanders begonnen het gebied vervolgens opnieuw te vestigen.

Hoewel de Nederlanders en Zweden al in 1638 terugkeerden om het Delaware River-gebied te hervestigen, bleef een groot deel van het gebied van de Delaware Bay ten zuiden van wat nu de stad Newcastle is, onrustig tot 1662, toen een toekenning van land aan de Hoernkills (het gebied rond Kaap Henlopen, bij het huidige Lewes) is gemaakt door de gemeente Amsterdam voor een feest van doopsgezinden. In totaal zouden 35 mannen in de nederzetting worden opgenomen, onder leiding van een Pieter Cornelisz Plockhoy uit Zierikzee en gefinancierd door een aanzienlijke lening van de stad om ze te vestigen. Deze nederzetting, gesticht in 1663, was deels georganiseerd tegen bedreigingen van de Engelse kolonie Maryland naar het westen, die haar eigen rechten over het gebied begon te doen gelden. De timing van de nederzetting was verschrikkelijk, aangezien de Engelsen Nieuw-Nederland in 1664 van de Nederlanders ontworstelden, en ze de nederzetting datzelfde jaar lieten vernietigen met Britse rapporten die aangaven dat er "niet eens een spijker" was achtergelaten.

De vestiging in het gebied nadat de Engelsen de Nederlanders hadden uitgeschopt, verliep traag. De Zweden en Finnen die zich vanaf de tijd van Nieuw-Zweden in het gebied hadden gevestigd, hadden de Engelsen over het algemeen verwelkomd en mochten blijven. De weinige Nederlanders die in het gebied werden gevonden, werden als gevangenen opgepakt en als slaven naar Virginia gestuurd. Lord Baltimore moedigde Marylanders ook aan om naar het oosten te trekken om zich in het gebied te vestigen. Maar het land was ver verwijderd van andere, meer gevestigde nederzettingen en sprak niet veel nieuwe kolonisten aan. Het werd ook een verleidelijke wildernis voor piraten om zich voor de autoriteiten te verbergen en regelmatig de kolonisten te plunderen voor voorraden.

De Nederlanders heroverden het gebied kort in 1673 als onderdeel van de Derde Engelse Oorlog. At that point, they established courts in the town of New Castle and at the Hoerkill at the southern end of the territory, effectively creating two counties out of the territory. After the war concluded in 1674, the Delaware territory was again returned to the English, at which point it was placed under the control of James Stuart, Duke of York. In 1680, the Duke reorganized the territory south of the Mispillion River as Deale County with the county seat at New Deale (modern-day Lewes) and created a third county, St. Jones, out of the Delaware territory between the Mispillion River and Duck Creek. In 1682, English King Charles II awarded the Delaware territories to William Penn in settlement of family debts, and Penn reorganized all three Delaware counties: Deale County become Sussex County, and St. Jones County became Kent County, in recognition of Penn's homelands in Sussex County, England. He brought two hundred people over from Sussex, England as colonists. The town of New Deale was also renamed Lewistown (today known as Lewes). At this time, Penn also claimed that the Delaware territory extended as far south as Fenwick Island. The 'Three Lower Counties' (Delaware) along Delaware Bay moved into Penn's sphere of settlement and became the Delaware Colony, a satellite of Pennsylvania.

But the boundary disputes continued between Pennsylvania and Maryland. Charles Calvert, 5th Baron Baltimore and William Penn both claimed the land between the 39th and 40th parallels according to the charters granted to each colony. Whereas Penn claimed the Delaware territories extended to Fenwick Island, Calvert claimed the Colony ended at Lewes with all the land south of the settlement belonging to Somerset County.

In 1732 Charles Calvert signed a territorial agreement with William Penn's sons that drew a line somewhere in between the two colonies and also renounced Calvert's claim to Delaware. But Lord Baltimore later claimed that the document he signed did not contain the terms he had agreed to, and refused to put the agreement into effect. Beginning in the mid-1730s, violence erupted between settlers claiming various loyalties to Maryland and Pennsylvania. The border conflict between Pennsylvania and Maryland would be known as Cresap's War.

The issue was unresolved until the Crown intervened in 1760, ordering Frederick Calvert, 6th Baron Baltimore to accept the 1732 agreement. As part of the settlement, the Penns and Calverts commissioned the English team of Charles Mason and Jeremiah Dixon to survey the newly established boundaries between the Province of Pennsylvania, the Province of Maryland, Delaware Colony and parts of Colony and Old Dominion of Virginia.

Between 1763 and 1767, Charles Mason and Jeremiah Dixon surveyed the Mason-Dixon line settling Sussex County's western and southern borders. After Pennsylvania abolished slavery in 1781, the western part of this line and the Ohio River became a border between free and slave states, although Delaware remained a slave state.

In 1769 a movement started to move the county seat from Lewes to the area then known as Cross Roads, the present day site of Milton. The current county seat of Georgetown was settled upon on January 27, 1791 after residents in western Sussex County successfully petitioned the Delaware General Assembly to move the county seat to a central location as roads at the time made it too difficult to reach the county seat in Lewes. Georgetown was not a previously established town and on May 9, 1791, the 10 commissioners headed by President of the State Senate George Mitchell negotiated the purchase of 76 acres (310,000 m2) and Commissioner Rhodes Shankland began the survey by laying out "a spacious square of 100 yards (91 m) each way." Eventually the Town was laid out in a circle one mile (1.6 km) across, centered on the original square surveyed by Shankland and now listed on the National Register of Historic Places. Georgetown was named after Senate President George Mitchell.

Sussex County has been known by several names over the years including Susan County, Hoorenkill or Whorekill County as named by the Dutch prior to 1680 when Kent County broke off, Deale County from 1680 to 1682 after being taken over by the British under James Stuart, Duke of York prior to signing over to William Penn, and Durham County when claimed by the Lords Baltimore during the boundary dispute with the Penn family.

Famous quotes containing the words european and/or settlement :

&ldquo I should think the American admiration of five-minute tourists has done more to kill the sacredness of old European beauty and aspiration than multitudes of bombs would have done. &rdquo
&mdashD.H. (David Herbert)

&ldquo The Settlement . is an experimental effort to aid in the solution of the social and industrial problems which are engendered by the modern conditions of life in a great city. It insists that these problems are not confined to any one portion of the city. It is an attempt to relieve, at the same time, the overaccumulation at one end of society and the destitution at the other . &rdquo
&mdashJane Addams (1860�)


Delaware County NY Genealogy and History Site

THE only part of the present county which is claimed to have been occupied by white settlers at a date prior to the Fort Stanwix treaty is a small settlement on the East branch of the Delaware river in the present town of Middletown. In the year 1762 or 1763 a small band* of adventurers of Dutch extraction set out from Hurley in Ulster county to explore the lands on the East branch of the Delaware.

(* I am indebted to a communication from Dr. 0. M. Allaben, in Gould's History of Delaware County, for this account of the Middletown pioneers.)

They ascended Shandaken creek, crossed over the mountains forming the divide between the tributaries of the Hudson river and the Delaware, and found themselves in the beautiful valley of the East branch. To their great surprise they found here evidences of a deserted Indian village, which they afterwards learned was called Pakatakan and even traces of European settlements at several places. These latter were doubtless left by the hardy trappers and traders who had forced their way hither in search of beaver skins, and had found at least two homes of the beaver near this place.

The hardy adventurers from Hurley took up farms along this valley, and having made some hasty preparations went back for their families. They obtained warranty deeds for the land from Chancellor Livingston one of the heirs of Johannes Hardenbergh the owner of this tract. The price paid was twenty shillings an acre and the deeds bear the date of 1763. The names of these first settlers, so far as they have come down to us, were the brothers Harmanus and Peter Dumond, Johannes Van Waggoner, Peter Hendricks, Peter Brugher, and Messrs. Kittle, Yaple, Sloughter (now named Sliter), Hinebagh, Green and Bierch. Their farms were chosen along the banks of the East branch, and the vicinity. The settlers were driven off* by the Indians in the Revolutionary war (1778), and the buildings and improvements were destroyed. But soon after the war they returned and resumed their abandoned farms.

The first settlements in both Sidney and Harpersfield took place about the year 1770 and both in like manner were interrupted by the disturbances of the Revolutionary war, which shortly followed. The pioneer of the former of these settlements was Rev. William Johnston a Presbyterian clergyman born in Ireland, and who had resided several years previous to his removal to the Susquehanna valley in the neighborhood of Albany. Mr. Johnston and his son Witter Johnston journeyed by Otsego lake and thence down the Susquehanna, stopping finally at the beautiful flats which are now called Sidney. Here they found a few scattered but friendly Indians, belonging to the Housatonick tribe, which at this time were subject and tributary to the Six Nations. They selected a farm of 520 acres bordering on the river, which was a part of a land patent belonging to Banyar and Wallace, of which they bought the fee simple. In the Revolutionary troubles which soon came on Wallace took the tory side, and his property which the Johnstons had bought, but had not paid for, was confiscated and became the property of the State. On the recommendation of the governor, however, the Johnstons on payment of the balance still due were confirmed in the title to the land they had bought.

The Johnston family occupied their now home in the year 1773, and were followed by other families who soon made a thriving and attractive neighborhood. They were named Sliter, Carr, Woodcock and Dingman. The Sliters intermarried with the Johnstons and in the troubles of the Revolutionary war took with them the patriotic side. But the others became tories and are lost sight of, except that Carr afterward is said to have erected the first gristmill in this vicinity, upon Carr's brook which empties into the Susquehanna a few miles above the Johnston settlement.

In 1777 during the Revolutionary war the Johnston settlement received a visit from Brant and a band of Iroquois Indians. The Susquehanna valley was a frequent resort of these fierce warriors and all the scattered Indians of other tribes which wandered through the region between the Susquehanna and the Hudson were tributary to the Iroquois. Brant and all the Six Nations had made a treaty with the British through Sir William Johnson and had embraced the tory side in the pending controversy. He came with a band of about eighty men. The white settlers held a conference with the redoubtable chief, who announced to them his ultimatum. He gave them eight days in which to leave their homes after which everything would be at the mercy of his followers. If any of the families chose to declare themselves British partisans, he promised them protection and permission to remain in their homes. Under this urgent alternative Mr. Johnston and the other whig families took leave of their little possessions and hurried to Cherry Valley. They were there when the little village was burnt by the Indians in 1778 but the family escaped in time from the massacre, and one of the sons was in the fort which withstood the efforts of the savages to burn or take it.

After the war was over the fugitive families returned in 1784 to their homes at Sidney, and resumed the peaceful and prosperous life which has made Sidney one of the most attractive of all the towns in the county.

It remains to say something about Harpersfield, which is the only other part of the county which was settled by white people before the Revolutionary war. The founders of Harpersfield were a family of Harpers, whose ancestor James Harper migrated from Ireland to Maine in 1720. After successive migrations of the family John, a grandson of the Irish emigrant, settled in 1754 at Cherry Valley in New York. A son of this John named John Jr., was the founder of Harpersfield, and his son, also named John, and was the noted Colonel Harper who was so conspicuous in the border ways of the revolution.

In 1767 the Harpers obtained from the Colonial government permission to obtain from the Indiana a tract of land containing 100,000 acres not before purchased, situated near the headwaters of the Delaware river. After this transaction was complete the Harpers received from the government a deed of the land in 1769. Two years after this, in 1771, Colonel Harper established his family upon this tract and proceeded to divide it into suitable farms for settlement. A considerable number of families from Cherry Valley and old friends from Now England soon after joined them, and the place took on an appearance of prosperity. The first settlers however were subject to some severe trials from the want of food for themselves and their cattle. Their nearest neighbors were thirty miles off at Schoharie, and for gristmills they were compelled to go down the Schoharie creek to the Mohawk. In 1775, however, Colonel Harper erected a gristmill for the convenience of his neighbors. The whole tract was heavily timbered, mostly with maple and beech, and the making of maple sugar was one of the chief early industries. The lands covered by hardwood are always more easily cleared than those covered by pine or other evergreens. The rich and varied farms of Harpersfield came rapidly into conditions of fertility and were soon able to support a widespread and prosperous population.

But before the settlement could attain this condition of prosperity, it was compelled to go through a period of trial during the Revolutionary war, which left its impress for a long time upon its inhabitants and its growth and progress. It was in the summer of 1777 that the approach of Brant and Butler with a band of Indiana and tories made the Harpersfield settlers realize the danger of their position. Some fled to Schoharie and some went back to New England. So that from that time to the close of the war Harpersfield was almost deserted. Occasionally some of the fugitives came back from Schoharie to look after their possessions. Thus in the spring of 1780 Captain Alexander Harper and a number of others went to Harpersfield at the usual sugar making season. Brant and his party of Indians surprised and captured them. Some were killed and scalped, while Harper and several others were carried by a long and tedious march to the British fort at Niagara. There they remained as prisoners in circumstances of fearful misery until the close of the war. Others were taken as prisoners to Quebec where they were kept until under the treaty of peace they were set at liberty.

After the establishment of peace most of the families returned to their homes, which however had been in many cases desolated by the Indians and tories. Other settlers rapidly joined these pioneers, attracted by the sturdy character of the founders, and by the liberal terms on which they could secure farms on which they might settle. From that time down to the present Harpersfield has continued to be one of the most thriving and prosperous of the towns in the county.

The period following the war was everywhere active in emigration. The soldiers who had spent many years in fighting for their country had lost that attachment to their homes which made abandonment difficult. They had learned of hundreds of places where they could find farms to be taken up and homes to be established. Many of the officers of the army received in lieu of pay which was due to them grants of land from which they expected to realize abundant profits. They did not foresee the times when the fertile Genesee country, and the rich valleys of Ohio would be speedily in demand. But they eagerly accepted the proffered lands still unoccupied in the eastern portions of New York. Poor old General Steuben who had performed such noble service for his American friends, was rewarded with a township named after him in the rough regions of Oneida county. Baron DeKalb was in like manner rewarded with an equally fertile tract of land in St. Lawrence county.

Much of the land in Delaware county had been granted in various tracts before the breaking out of the war. The year 1770 seems to have been amazingly prolific in Delaware county patents. In the note* appended will be found the patents granted in Delaware county by the English Colonial government.

(* List of patents granted by the English Colonial Government, in Delaware county. Hough's Gazeteer, p. 48:
Babington's Patent, 1770, 2,000 acres, Charles Babington.
Bedlington Patent, 1770, 27,000 acres, John Leake and others.
Clarke's Patent, 1770, 2,000 acres, James Clarke.
DeBernier's Patent, 1770, 2,000 acres, John DeBernier.
Franklin Township, 1770, 30,000 acres, Thomas Wharton and others.
Goldsborough Patent, 1770, 6,000 acres, Edward Tudor and others.
Hardenbergh Patent, 1708, --, Johannes Hardenbergh and others.
Harper's Patent, 1769, 22,000 acres, John Harper, Jr.
Kortright Patent, 1770, 22,000 acres, Lawrence Kortright.
Leake's Patent, 1770, 5,000 acres, Robert Leake. Forfeited by attainder.
McKee's Patent, 1770, 40,000 acres, Alexander McKee and others.
McKee's Patent, 1770, 18,000 acres, additional, Alexander McKee and others.
Prevost Patent, 1770, --, James Prevost.
Strasburgh Township, 1170, 37,000 acres, John Butler and others. Forfeited by attainder. Walton's Patent, 1770, 20,000 acres, William Walton and others.
Whiteboro Township, 38,000 acres, Henry White and others. Forfeited by attainder.)

Subsequent to the formation of the State government many tracts were purchased from the State, by land speculators who generally sold but sometimes rented to settlers the farms which they undertook to clear and cultivate. The largest of these tracts was in the western angle of the State, and occupying a region owned by the State of Massachusetts. The two states settled the question of jurisdiction by an agreement that the price of the lands when sold should go to Massachusetts, but that the whole tract should belong politically to the State of New York. The land was in 1791 sold by the State of Massachusetts to Phelps and Gorham but on account of their failure to fulfill the contract, it was resold subsequently to them together with a number of other purchases. Almost all the contents of the counties of the State west of Cayuga lake were included in this territory. Another large tract is usually called the Macomb purchase, situated in Franklin, St. Lawrence, Jefferson, Lewis, Oswego and Herkimer counties. The lands included in these later purchases were usually sold in fee simple to the settlers while much of that in Delaware county, such as the Hardenbergh patent, the Kortright patent, the Livingston patent, the Verplanck tract, etc., were granted on lease.

The settlements formed in the various towns will be detailed in the town histories given below. The pioneers were of varied nationality, and in this respect were a fair sample of the mixed population throughout the State. From Kingston came the Dutch and Palatine Germans and a few of the Walloons, who settled in Middletown along the East branch of the Delaware. The same classes of emigrants had settled the Schoharie valley and thus formed a continuous belt of low Dutch pioneers from Albany up the Mohawk river, thence up the Schoharie creek to its headwaters and. then down the East branch of the Delaware, meeting the little body of Dutch pioneers who had broken through the mountain barriers from Kingston. It is needless to say that these emigrants were industrious, intelligent, and conservative. Like their European ancestry they sought as places of settlement low lying lands, bordering the picturesque streams which abounded in the new continent. There were no considerable number of these Holland emigrants who came into Delaware county. The lands were opened up to settlement too late to take advantage of the Holland period of New York history. This period ended in 1664 when the Dutch possessions in. America were by treaty transferred to England. After that time a few emigrants came from Holland to New York, and the only Dutch pioneers into Delaware county came from the older settlements of the same nationality in other parts of the colony.

The great mass of the early settlers in Delaware county were from New England. They had already learned that the bleak hills where they had at first made their homes were by no means the fertile and productive regions they had anticipated. From the earliest times there was a continuous stream of emigration from the colonies and states of New England, first into eastern New York, then into western New York, and still later into Ohio, Indiana, Illinois and farther west. There was a time, just subsequent to the Revolutionary war, when many of these restless and adventurous New Englanders sought homes near the headwaters of the Susquehanna and the Delaware rivers. The immense town of Franklin which at its organization contained thirty thousand acres of land was largely settled by New Englanders. Sluman Wattles the first settler came thither from Connecticut in 1785 accompanied by his brothers and sisters, and followed by numerous friends who rapidly built up a thriving and intelligent community. The town of Walton was a part of Franklin until 1797, and it too was largely settled by families of New England origin. Dr. Platt Townsend came hither from Dutchess county and brought with him a number of friends from Long Island who like himself had first migrated from Connecticut. This auspicious beginning led many other New England families who were seeking new homes to come into the valleys of the Delaware and the Susquehanna.

Another notable company of colonists came in 1789 consisting of twenty heads of families and two single men from Fairfield county, Connecticut. They were exploring the wilderness in search of a suitable place in which to settle. They came from Catskill and after a long journey reached the head waters of the West branch of the Delaware. Here they found a friend in an old settler named Inman, who aided them to find lands on which they could settle. Part of them located in the present town of Roxbury, which then was the town of Stamford the others found homes in what still bears the name of Stamford in Rome's brook. This has continued to be a most thrifty and prosperous settlement,* and to this day bears the marks of the pioneers who founded it.

(*The names of this company are given in Gould's History of Delaware County as follows: Josiah Patchin, Captain Abraham Gould, Colonel John Hubble, Aaron Rollins, Isaac Hubble, Talcott Gould, Isaac Gould, George Squires, Walter and Seth Lyon, John Polly, Stephen Adams, Peter and Ebon Jennings, Joseph Hill, and one by the name of Gibson. The two unmarried men were David Gould and David Squires. See p. 197.)

The Scotch immigration into Delaware county was principally of a later date. A few came to the region about the time of the Revolution. John More was a Scotchman who came into the country and founded Moresville in 1786. Kortright, so named from Lawrence Kortright who purchased a patent of twenty-two thousand acres from Colonel Harper, was settled principally by immigrants from the north of Ireland and from Scotland. The patent was purchased in 1770 and the settlement, began from that date. But the great mass of the settlers came in during the first twenty years of the present century.

Andes received a large contingent of Scotch immigrants. These were not however the first settlers, who were of Dutch ancestry and came from the Hudson river counties. But a large number of Scotch families came in at various times and settled the Cabin Hill region and some of the valleys towards Bovina. It was this same movement which led many of the same nationality to invade the rough regions of Bovina. They had been preceded in this movement by Elisha B. Maynard a New Englander, who was the first settler, in 1792. But the hardy Scotch crowded into the lands on the headwaters of the Little Delaware, and made the little town, when it was organized in 1820, almost their own. The town of Delhi in like manner contains many families who by ancestry are Scotch. This is especially true of the mountainous region rising from the Little Delaware on the southwest. The section is still called the Scotch mountains from the fact that the greater part of it was settled by Scotch families. It will be observed that in all these settlements of the Scotch, they have chosen the hills and uplands in preference to the fertile valleys. This was partly owing to the fact that they came into the county at a later date when the richer lands along the rivers had been already taken up. But, besides this, and besides their general poverty which led them to select cheap lands, we must attribute their choice of hilly lands to their predilections founded upon the clear mountains from which they came, and for which they retained such fond memories.

It may be said in conclusion that wherever they settled the Scotch proved most thrifty and successful farmers. They were without exception intelligent and religious and lost no time in providing for themselves and their children churches and schoolhouses, such as they had been accustomed to in their old home. As a consequence no parts of the county are more prosperous and progressive than those that have been settled by the Scotch and which are still occupied by their frugal and industrious descendants. Index to Centennial History of Delaware County


Wilmington: Wilson & Heald, 1846. Octavo. Item #026083

312 pages, four plates, 2 plans, folding detailed map at end showing the settlements of the Dutch and Swedes. Not only was this the first history of Delaware but Ferris resolved problems on some of the troublesome names. The name of the island was called Matineconk or Tiniconk, he goes on to note the changes and the development of the first regular trail. He then shows how the settlements of the Swedes developed (note the excellent folding map) and the role of William Penn and then he goes into great detail on the ecclesiastical affairs of the Swedish Church. Just as the rise of Yellow Fever devastated Philadelphia in 1793, even so it was the case in Wilmington. The errata is on the verso of page xi giving the reader the most complete and accurate early history of the state. A very nice copy bound in publisher's brown embossed cloth, spine lettering gilt, some light scattered foxing to plates, text very clean with just a hint of scattered foxing. light wear to corners, previous owner's name in pencil. [Howes F97].


The First State (Official)

Delaware was the first state to ratify the United States Constitution in 1787. There is only one First State and Delaware is it.

"The First State" became the official State nickname on May 23, 2002 following a request by Mrs. Anabelle O'Malley's First Grade Class at Mt. Pleasant Elementary School.

The Diamond State

This nickname for Delaware is echoed in the State Flag. The buff colored diamond serves as a frame for the state Coat of Arms. This nickname originated with Thomas Jefferson who compared Delaware to a diamond small but very valuable. According to the Delaware Government Information Center, Thomas Jefferson described Delaware as ". a 'jewel' among states due to its strategic location on the Eastern Seaboard."

The Blue Hen State

This historical nickname, sometimes Blue Hen Chicken State, originated during the Revolutionary War. According to W.A. Powell's History of Delaware, 1928, the story traces back to a Captain Caldwell from Kent County who carried with him a pair of fighting game cocks. These chickens, descendents of a famous Blue Hen, were well known in Kent County for their superior fighting qualities. It is said that upon seeing these game cocks fight, one soldier cried "We're sons of the Old Blue Hen and we're game to the end" comparing the fighting prowess of the chickens to the fighting prowess of the Delaware soldiers. These regiments from Kent County became known as "Blue Hen's Chickens." This name was soon applied state wide. In 1939, the Blue Hen Chicken was adopted as Delaware's official State Bird.

The Peach State

In the 1500s, the Spanish brought peaches to Delaware. By the 1600s, peaches were so plentiful in the state that farmers used them to feed their pigs. Supported by the Delaware Railroad in the early nineteenth century, Delaware became the leading producer of peaches in the United States. Almost 6,000,000 baskets of peaches were shipped to market in 1875, Delaware's peak production year. Many problems beset peach farmers throughout the latter part of the century. The peach blight, called the "yellows" forced the collapse of the industry and, in the early 1900s, many peach farmers faced bankruptcy.

The Corporate Capital

Delaware has been called the "Corporate Capital" because so many corporations have incorporated in the state because of its business-friendly law. According to the Delaware Division of Corporations (2002), more than 308,000 companies are incorporated in Delaware. This includes 60% of the Fortune 500 and 50% of the companies listed on the New York Stock Exchange.

Small Wonder

A new nickname developed to promote the state's contributions to the nation and its natural beauty.

New Sweden

Refers to the first permanent settlement in Delaware in the present day Wilmington. Delaware was under Swedish rule from 1638 to 1655. The first Swedish settlement was at "The Rocks," on the Christina River, near the foot of Seventh Street. The Christina River was named after the young queen of Sweden as was the fort that was built.

Uncle Sam's Pocket Handkerchief

This obscure nickname probably refers to the small size of Delaware.

Other

Delaware has also been called "The Chemical Capital" and the "Home of Tax Free Shopping."


Settlement and Exploration

Some judgments can be made on the valley from Fremont’s descriptions, from the experience of the Mormon pioneers, and from later explorations such as those by Howard Stansbury and John Wesley Powell. The deposits dropped by Lake Bonneville and by mountain streams provided fertile soil for Euro-mountain streams provided fertile soil for Euro-American agriculture, and the growing season proved ample for temperate region crops. Abundant native grasses provided feed for herds of cattle and horses. Clay beds supplied adobe for their early building, and sufficient trees grew in the mountains and canyons to provide lumber for later construction. The nearby mountains also husbanded sufficient water for agricultural, manufacturing, domestic, and commercial activities. The people found ample supplies of minerals such as salt and coal. In addition, because the Utah settlements were at the crossroads of the principal overland routes to California, the Wasatch and Oasis Fronts became an increasingly attractive commercial location.

However, contrary to another bit of folklore, the Mormons did not tame an uninhabited or unexplored wilderness. Since the time of Rivera, Dominguez, and Escalante, the Spanish and Mexicans had explored and traded in the region. The Mountain Men’s rendezvous had been held here even before forts were built by Robidoux and the Taos Trappers. Fremont and others had described the region. Miles Goodyear had settled Fort Buenaventura at Ogden, probably the first continuously occupied site in the Great Basin.

On July 26, a group of pioneers exploring in southern Salt Lake Valley met a mounted party of about twenty Utes who wanted to trade with them. Shoshonis from the north and Gosiutes from the south and west also frequented the Salt Lake Valley. In the fall, the pioneer party that remained in the valley found that the Gosiutes loved to bathe in the mineral waters of warm springs north of the city. Moreover, the Gosiutes taught John Taylor and other Mormons to harvest sego lily and other roots and sunflower seeds and to make a meal and cakes of ground crickets mixed with honey. The instruction in harvesting roots came in handy during the winter and early spring of 1848 when food was scarce, but the cricket cakes never seem to have tempted the palates of Euro-Americans.

Though the Mormons traded with and learned from the Indians, they also disrupted Native American life. They affixed their permanent settlements to Native American lands and carried diseases against which the Indians had little immunity. The Gosiutes who came to warm springs in the fall suffered from measles, and other Indians died from smallpox. Even though the Indians already inhabited the region, the Mormons did not recognize their title to the land. Brigham Young told the settlers that they must neither buy nor sell land, insisting that the land belonged to the Lord and that it could only be distributed by the priesthood and then only on principles of stewardship. Since The Book of Mormon tells the Mormons that the Indians belong to the House of Israel, they expected the Native Americans to convert to Mormonism and join them as stewards in building God’s kingdom.

As they went about the task of building their new kingdom, the pioneers essentially faced three problems: first, they had to establish a base settlement for growing crops and building homes for themselves and those who followed second, they wanted to find other sites for towns for the thousands who would follow and third, they needed to make arrangements to guide the remaining Saints from Winter Quarters and Kanesville to Utah.

Understanding the task ahead of them, they immediately began to plow and irrigate farms, cut timber and make adobes, and build temporary housing. Even before Young had entered the valley, Orson Pratt and his party had begun plowing and planting in the easily worked sandy loam, and they dammed City Creek and began to irrigate the newly planted fields. Mormon missionaries had seen irrigation in Italy and the Middle East, and members of the Mormon Battalion had watched the Mexicans and Pueblos irrigate in New Mexico and California, so they understood how to dam streams and channel water in ditches to irrigate the crops. Even though they had started very late in the season, the Mormons continued planting crops throughout the remainder of July and into August. Crews built a road up City Creek Canyon to reach trees to supply lumber for homes, barns, and fences. Establishing a fort for protection against the Indians at the site of Pioneer Park near Third South and Third West, they constructed twenty-nine log cabins. Since trees were scarce and expensive to harvest, they located deposits of clay, opened pits, and manufactured adobes from which they build most of their homes.

Shortly after Young arrived, the Saints began to lay out Salt Lake City, using a pattern that they would follow in subsequent settlements. Commencing at the southeast corner of Temple Square—currently South Temple and Main Street—where Orson Pratt established the base line and principal meridian for subsequent surveys in most of Utah, the pioneers marked out the city in ten-acre blocks. Brigham Young said that he wanted to be able to turn a span of oxen around without backing them up, so they left room for streets to be forty-four yards wide.

Since they planned a community for Saints rather than a subdivision for speculators, they subdivided the blocks into one-and-a-quarter-acre town lots. The leaders followed Joseph Smith’s plat of the City of Zion rather loosely and invested Salt Lake City with a suburban character. Each resident owned a town lot, and using the New England and European pattern, they situated the large farms outside the city. On their lots in the city, the people built barns, sheds, wallows, and coops for domestic animals, and they planted vegetable, fruit, and flower gardens. They dug ditches to coax the mountain streams down each side of the street so the people could divert water for irrigation and household use.

To add to the information they already had about this region, the Mormons sent out several exploring parties. Brigham Young led a party on a circuit around the Salt Lake Valley in late July Albert Carrington took two others to the Point of the Mountain in southern Salt Lake Valley, near the present site of the Utah state prison and Jesse C. Little, Samuel Brannan, and James Brown led a contingent northward along the valleys near the Great Salt Lake into the Bear River Valley. Brannan and Brown then turned west to California while Little threaded his way through the Bear River gorge into Cache Valley in northern Utah. Later in the year, Parley P. Pratt led a party south into Utah Valley, westward across the divide into Cedar Valley, southwestward into Rush Valley, and northward to Tooele Valley before returning around the north end of the Oquirrhs to Salt Lake City.

In late August, Brigham Young and a large party consisting of all the Twelve, except Parley P. Pratt and John Taylor, who had not yet reached the valley, left for Council Bluffs to prepare for the succeeding season of immigration. Young chose John Smith, the uncle of Joseph Smith, as stake president to govern the settlement in his absence. Smith exercised both ecclesiastical and civil authority with two counselors and a high council of twelve. In general, all those in the valley, including Pratt and Taylor after they arrived, recognized the authority of Smith and his colleagues in civil affairs.

Settlers continued to pour into the valley throughout the summer and fall of 1847. By winter, nearly 2,000 persons had reached Salt Lake City. Some 16,000 remained in Kanesville and Winter Quarters, but most of them joined the others in Utah by 1853.


The Cushetunk Settlement

In the early 1750s, North America was still mostly an uncivilized place, and while open warfare between the British and the French in their struggle to control the new continent was still a few years away, the growing tension between the two great powers and the unhappiness of the displaced Native American tribes made it a hostile place, as well.

While the upper Delaware valley was still a rugged frontier wilderness, western Connecticut was becoming overpopulated and farmland there was becoming scarce. Some of the Connecticut residents who were feeling squeezed out of their home colony began to form companies for the purpose of purchasing lands elsewhere. The Susquehanna Company, formed in 1754, was one such group, consisting of about 600 men from what would become the Nutmeg state. These men purchased from the Iroquois confederacy a large tract of land along the Susquehanna River, paying the Natives mostly with whiskey.

Another group, calling itself the Delaware Company, and led by hardy men named Skinner and Thomas and Tyler, purchased of the same Iroquois nations a tract of land adjacent to the Susquehanna purchase and running eastward to the Delaware River. By 1757, this group had formed a small settlement on the new property. The place became known as Cushetunk.

Within a few years, the Delaware Company was soliciting additional settlers through a prospectus that claimed they had established three separate communities, each extending ten miles along the Delaware River and eight miles westward. These new communities consisted of thirty cabins, three log houses, a grist mill and a saw mill. Because of the hostile nature of the frontier at the time, Cushetunk was surrounded by a stockade for protection, and looked every bit as much a fort as it did a peaceful community.

The protection of the fortification was largely unneeded until the uprising of the Delawares following the death of the elderly sachem and self-proclaimed king, Teedyuscong under mysterious circumstances in April of 1763. Avenging war parties under the command of Teedyuscong’s son, Captain Bull, swooped through the Wyoming Valley and into the Delaware Valley, attacking every settlement along the way. The riverfront community at Ten Mile River was destroyed, and the 22 or so inhabitants massacred. The warriors then made their way upriver to Cushetunk, at one time a revered place where their ancestors had held green-corn dances and dog festivals, and ballgames, and where, according to some legends, their sainted chieftain Tammanend, or Tammany, had spent much of his life.

The Delaware under Captain Bull had every intention of destroying Cushetunk and vanquishing those living there just as they had done downriver, but the stockade made their task a bit more difficult. The Cushetunk settlers caught sight of the marauders as they approached, and many were able to gather inside the blockhouse. Two of the men, Moses Thomas and Jedidiah Willis, were killed by the Delawares before they could enter the fortification, and that left only one man, Ezra Witter, in defense of the settlement. Fortunately for Witter, he had the assistance of a number of strong, capable women who managed to keep their heads as the war party gathered outside.

The women were armed with muskets and under Witter’s direction fired at the opportune time, killing one of the war party and intimidating the others by convincing them that the stockade was well defended. Witter’s deception proved fortuitous, and the raiding party left without further incident, taking their lone casualty with them.

The upper Delaware remained a hostile place for another few decades. One historian has described the area as it existed as late as 1779, when the Revolutionary War Battle of Minisink was fought just north of what is today Barryville, as “a howling wilderness.” “There was not a wilder, lonelier place on the whole frontier,” Isabel Thompson Kelsay writes in “Joseph Brant: Man of Two Worlds,” “a place where wolves gathered by night but men were seldom seen.” Still, the stockade that was Cushetunk was never put to the test again.


Bekijk de video: Nantucket Zoning Board of Appeals - 101421 (Januari- 2022).